Ons levensverhaal

 

 

Een aantal jaar geleden kon ik me niets meer herinneren van vroeger. Ik had last van herbelevingen maar wilde er niets van weten. Verzetten had geen zin. Het zat er en moest eruit. Zwarte gaten werden opgevuld, mede door mijn binnenmensen. Ieder deel ervaart een gebeurtenis op zijn/ haar eigen manier. Dat maakt het soms lastig om een compleet beeld te krijgen. Dit is ons verhaal:

 

In 1972 in een gezin dat bestond uit vader, moeder en twee zussen.Mijn moeder was huisvrouw. Ze had last van ernstige depressies en was verslaafd aan valium. Hierdoor was ze onbereikbaar voor ons. Door haar psychische problemen was ze suïcidaal. Ze deed verschillende zelfmoordpogingen. Regelmatig werd ze opgenomen op psychiatrische afdelingen.

 

Mijn vader was alcoholist. Hij was bijna nooit thuis. Overdag werkte hij in de bouw. In de avonduren trad hij op als muzikant. Wanneer hij gedronken had, werd hij agressief. Zijn woede reageerde hij af op mijn moeder en ons. Mijn moeder sloeg vervolgens terug en zo ontstonden heftige ruzies. Ons gezinsleven werd getekend door geweld.

 

Toen ik geboren werd, was mijn oudste zus vier jaar en de jongste elf maanden. Zij lag achter in ontwikkeling. Mijn moeder had haar handen vol. Hierdoor was er eigenlijk geen plaats voor nog een baby. Ze kon de situatie niet aan.

 

Tijdens de kraamperiode ging het al mis. Mijn moeder hoorde mij huilen maar heel plotseling werd ik stil. Ze wilde mij uit bed halen omdat het tijd was voor een voeding. Ze zag dat ik blauw aanliep. Mijn ademhaling was gestopt. Mijn moeder rende de kamer uit en riep een vriendin die op dat moment bij ons op bezoek was. Deze haalde mij uit bed. Op dat moment snakte ik naar adem.

 

Mijn moeder belde in paniek de vroedvrouw. De vroedvrouw kwam langs en onderzocht mij. Er was niets met mis met mij. De vroedvrouw wilde mijn moeder geruststellen. Ze legde uit dat ik waarschijnlijk vruchtwater had binnen gekregen. Dit gebeurde wel vaker tijdens een bevalling. Mijn moeder geloofde dit niet. Ze was ervan overtuigd dat ik een hersenbeschadiging had opgelopen. Ze vond sowieso al dat ik een huilbaby was. Daar kon ze niet mee omgaan. Zodra ik begon te huilen, legde ze me in bed. En keek ze niet meer naar mij om.

 

Op een middag bracht mijn moeder mij huilend naar bed. Mijn vader vertrouwde het niet. Hij hoorde mijn moeder schelden en tieren en dat ik ineens stopte met huilen. Hij liep naar boven om te kijken wat er aan de hand was. Hij zag dat mijn moeder een kussen op mijn gezicht duwde totdat ik helemaal stil was.

 

Toen ik drie jaar was wilde mijn moeder nog een baby. Ze besefte dat ik bijna naar de basisschool zou gaan. Ze wilde niet met lege handen achterblijven. Mijn moeder raakte opnieuw zwanger. Toen ik vier jaar was, werd mijn jongste zusje geboren. Ik telde niet meer mee en moest plaatsmaken voor mijn zusje.

 

Mijn moeder wees mij voortdurend af. Toch hing ik heel erg aan haar. Mijn moeder gaf mij de schuld van haar psychische problemen. Ze schreeuwde altijd tegen mij dat ik haar ziek maakte Ze werd zo kwaad op mij, dat ze me sloeg. Ze zei, dat ik de reden was, waarom ze niet meer wilde leven en zelfmoord zou gaan plegen. Ik wilde er alles aan doen om haar beter te maken. Het had geen zin. Hoe hard ik mijn best ook deed, ik kon nooit iets goed doen. Wanneer ik met haar alleen was, deed ik alles wat ze vroeg. Ik hunkerde naar haar aandacht. Toch bleef ze mij zien als het vervelende, moeilijke kind.

 

Mijn moeder werd een aantal keer opgenomen in de psychiatrie. Mijn vader was dan nooit thuis. Overdag hadden we gezinszorg. In da avonduren liet mijn vader ons alleen. We werden in bed gelegd en de deur ging op slot. De nachten bracht hij door bij verschillende vrouwen waar hij relaties mee had. Stomdronken kwam hij vroeg in de ochtend thuis. Hij was ziek van de drank en kotste de hele wc onder. Het was zo smerig dat niemand er meer op kon. Wanneer ik opstond, moest ik eerst de wc poetsen voordat ik kon gaan plassen.

 

In 1976 werd ik vier jaar en moest ik naar school. Iedere ochtend werd ik wakker met buikpijn. Ik wilde niet naar school. Ik had nauwelijks contact met leeftijdsgenoten en voelde me alleen. Ik was anders dan anderen en hoorde nergens bij. Wanneer de juffrouw mij aansprak, reageerde ik vaak niet. Ik had niet eens door dat ze het tegen mij had. Met mijn gedachte was ik thuis bij mijn moeder. Ik maakte me zorgen om haar. Ik was bang dat ze zichzelf wat zou aandoen.

 

De juffrouw wist niet hoe ze mij kon bereiken. Ze wist niet hoe ze met de situatie om moest gaan. Daardoor ging het op een dag flink mis. De juffrouw vroeg mij iets. Ik regeerde niet. Ze verloor haar geduld. Ik moest op de gang maar kreeg dat niet mee. Ze stond op, greep mijn arm en sleurde me de gang op. Ik begreep niet wat er gebeurde en kreeg een woedeaanval. Ik sloeg om me heen, bonkte met mijn hoofd tegen de grond en trapte een raampje kapot.

 

Toen ik bij positieve kwam, was ik doodmoe. Ik had hoofdpijn en spierpijn in mijn hele lijf. Ik kon me niets herinneren van wat er was gebeurd. Ik zat bij de hoofdmeester en ik vroeg me af hoe ik daar terecht was gekomen. De hoofdmeester gaf me alle ruimte om rustig te worden. Ik mocht tekenen en kleuren. Ik vluchtte in mijn eigen veilige binnenwereldje.

 

Tussen de middag kwam de juffrouw bij mij thuis. Emotioneel vertelde ze mijn moeder, wat er was gebeurd. Ze voelde zich schuldig omdat ze zich niet had kunnen beheersen. Ze vond dat ze me te hard had aangepakt. Mijn moeder werd kwaad en zei dat ze me de volgende keer nog harder moest aanpakken. De juffrouw vertrok. Mijn moeder begon tegen me te schreeuwen en op me in te slaan.

 

Na de middagpauze moest ik weer naar school. Zodra ik thuiskwam, werd ik naar mijn kamer gestuurd. Mijn moeder wilde mij niet meer zien. Voor straf moest ik zonder eten naar bed.

 

In 1977 maakten mijn ouders een afspraak bij stichting Jeugdbelangen. We gingen er met het hele gezin heen. Mijn zussen en ik werden geobserveerd. In de kamer waar we zaten, was een grote spiegelwand. Ik zat aan een tafel met mijn rug ernaartoe. Ik wilde mezelf niet zien. Mijn zussen speelden samen. Ik speelde alleen. Althans voor de buitenwereld zag het er zo uit. Ik had mijn eigen vriendjes in mijn binnenwereld waar ik mee speelde.

 

Degene die ons observeerde vertelde dat de spiegel een toverspiegel was. Zij konden er namelijk vanuit de aangrenzende kamer doorheen kijken. Ze hadden gezien dat ik zogenaamde fantasievriendjes had. Jaren later kwam ik erachter dat er toen al delen waren afgesplitst.

 

Na een aantal weken hadden we een vervolgafspraak bij stichting Jeugdbelangen. Uit de observatie bleek, dat ik me afzonderde. Het was geen gezonde situatie waar ik me in bevond. Mijn moeder gaf aan dat ik een moeilijk kind was. Ik paste niet in het gezin. Ze kon het niet meer aan. Er werd niet gekeken naar de thuissituatie. Er werd niet gezien dat mijn vader alcoholist was en mijn moeder psychische problemen had. Ik werd niet gehoord. Ik moest uit huis worden geplaatst.

 

Aan het begin van de schoolvakantie van 1978 werd ik geplaatst in een Koloniehuis in Egmond aan Zee. Ik vond het een afschuwelijke tijd. De leiding bestond uit nonnen. Zij waren erg streng. Alle meisjes sliepen op een slaapzaal. Overdag werd je verplicht om een middagdutje te doen. Of je moe was of niet. Iedereen moest op zijn rug liggen met je hoofd naar rechts. Zo wilde ze voorkomen dat we met elkaar kletste. We moesten onze handen boven de dekens houden. Er was altijd een zuster aanwezig in de slaapzaal. Ik voelde haar ogen in mijn rug prikken. Een aantal keer per nacht maakte ze hun rondje. Ze kwamen controleren of je nog in de verplichte houding lag. Zo niet, dan werd je gewekt.

 

Ik had last van nachtmerries. Ik droomde vaak dat ik bij de nonnen moest blijven wonen. In paniek werd ik wakker. Huilend omdat ik bang was dat ik mijn moeder nooit meer zou zien. Wanneer een van de nonnen mij hoorde huilen, reageerde ze geïrriteerd. Ik moest stil zijn anders werd iedereen wakker. Troost vond ik niet bij hen. Troost vond ik door te vluchten naar mijn binnenwereld. Daardoor werd ik rustig en kon ik weer slapen.

 

Iedere ochtend moest je eigen bed opmaken. Wanneer het niet netjes genoeg was, werd het afgetrokken. Kinderen die in bed plaste, werden openlijk voor schut gezet. Ze moesten voor hun bed gaan staan zodat iedereen hun natte onderbroek zag. Het was echt vernederend.

De doucheruimte was een open ruimte. Douchen gebeurden samen met een groep meisjes. De nonnen stonden toe te kijken. Wanneer je gewassen werd, waren ze erg hardhandig. Zelfs op de wc had je geen privacy. De toilethokjes waren halfopen.

 

Er was een grote eetzaal. De maaltijden waren een ramp. De warme maaltijd bestond voornamelijk uit vis. Ik lustte geen vis. Het eten werd voor je opgeschept. Soms werd ik zo misselijk dat ik bijna moest overgeven. Misselijk of niet, mijn bord moest leeg. Als het te lang duurde, werd mijn bord weggepakt. Het eten werd bewaard tot de volgende ochtend. Ik kreeg het dan opnieuw voorgeschoteld. Ik kreeg geen ontbijt voordat het op was. Wanneer ik het weer liet staan, werd het bewaard tot de lunch. Dit ging zo door totdat mijn bord leeg was.

Op vrijdagavond werden we door een non gecontroleerd. Er werd gekeken of je geen hoofdluis of andere kwaaltjes had. Iedereen moest netjes in een rij gaan staan. Wanneer je dit niet deed, kneep ze je in je bovenarm.

 

Iedere week moest je verplicht een kaartje naar huis sturen. Het kaartje werd gecontroleerd. Wanneer er iets negatiefs in stond, werd het voor je ogen verscheurd. Ik schreef op mijn kaartje: "Mamma ik zal altijd lief zijn". Deze zin herhaalde ik, tot het kaartje vol was. Iedere avond werden de namen van kinderen afgeroepen, die post ontvingen. Elke dag hoopte ik dat ik erbij zat. Het bleef bij hopen. Ik zat er nooit bij.

 

Mijn ouders kwamen slechts één keer op bezoek. Ik dacht dat ze me eindelijk kwamen ophalen. Helaas was dat niet zo. Ze bleven een paar uurtjes en gingen weer naar huis. Ze hadden een zak snoep meegenomen. Zodra mijn ouders de straat uit waren, werd het snoep in beslag genomen. In de eetzaal hing een eikenhouten vitrinekastje. Daar werd het snoep in bewaard. Tijdens de maaltijden keek ik naar het vitrinekastje. Het hing precies in mijn gezichtsveld. Daar lagen mijn snoepjes. Ieder dag zaten er minder snoepjes in de zak. Ik had de snoepjes van mijn ouders gekregen maar heb er nooit iets van gehad.

 

Eén keer per week mocht ik naar huis bellen. Ik was opgelucht wanneer ik mijn moeders stem hoorde. Ze kon niet met mij praten. Ik huilde en kon alleen maar uitbrengen: “Mama kom me halen, ik zal altijd lief zijn.” Mijn moeder reageerde nauwelijks. Ze brak het gesprek af. Ik bleef luisteren naar de pieptoon en hoopte dat ze terugkwam. Ze kwam niet meer terug. Ik zei: “Dag mamma” en legde de hoorn op de haak. Verslagen bleef ik achter.

 

Eindelijk was het dan zover. Ik mocht naar huis. Ik had er zo naar uitgekeken maar voelde me thuis niet welkom. Mijn moeder zei dat ze niet wilde dat ik naar huis kwam maar dat ze me moest ophalen omdat ik daar niet langer kon blijven. Wanneer ze kwaad op me was, zei ze, dat het beter was als ik was verzopen in de zee.

 

Ik was in die tijd heel erg verdrietig en lag vaak op mijn bed te huilen. Mijn moeder kwam vaak naar binnen om te schreeuwen, te tieren en op me in te slaan. Ik riep een keer dat ik dood wilde. Ze sloeg me overal waar ze me raken kon. Ik smeekte haar te stoppen. Ze schreeuwde dat ik zelf dood wilde. Ze zou me wel een handje helpen en een touw voor me kopen zodat ik me kon ophangen.

 

Steeds vaker sloeg ze me en soms duwde ze me van de trap af. Ik kreeg last van nachtmerries en werd huilend wakker. Mijn moeder werd daar, naar eigen zeggen, helemaal gek van. Door mij kon ze niet slapen. Om te zorgen dat ik doorsliep, gaf ze me blauwe pilletjes. Ik kon geen pillen slikken en dus moest ik er op kauwen. Met een vinger voelde ze in mijn mond of ze ook echt weg waren. Ik wist niet wat er met me aan de hand was. Soms voelde ik me echt ziek en kon ik ’s ochtends niet op mijn benen staan. Ook werd ik niet wakker om naar de wc te gaan en plaste ik regelmatig in mijn bed. Toen wist ik nog niet, dat ze mij, haar eigen Valiumtabletten liet slikken.

 

Een vriendin van mijn moeder kwam iedere ochtend bij ons koffie drinken. Ze kenden elkaar van de basisschool. Op een ochtend had ik weer in bed geplast. Mijn moeder werd woest op mij. Ze schreeuwde dat ik geen baby meer was en dat ik zeker te lui was om naar de wc te gaan. Eerst zette ze me onder een ijskoude douche en mocht ik me niet aankleden. In mijn nakie moest ik met haar mee naar beneden. Ze schreeuwde en sloeg. Ik was bang en wilde wegvluchten maar viel op de grond. De vriendin van mijn moeder kwam binnen en trok mijn moeder van me af.

 

Jaren later vertelde ze, dat ze wekenlang ruzie had met mijn moeder. Mijn moeder wilde haar niet meer zien. Ook vertelde ze dat mijn moeder zo tekeerging, dat ze er nog steeds van overtuigd is, dat ik er niet meer zou zijn geweest als zij op dat moment niet was binnengekomen.

 

Omdat de situatie thuis onhoudbaar was, besloten mijn ouders dat ik moest vertrekken. We waren met vier kinderen maar volgens mijn ouders, lag het allemaal aan mij. Ik geloofde wat ze zeiden en voelde me schuldig. Ik wilde zo graag dat het beter ging maar wist niet wat ik er aan kon doen. Ik wilde dat mijn ouders en mijn zussen gelukkig waren en raakte ervan overtuigd, dat het beter voor ze was als ik niet meer thuis zou wonen.