Mirte&Co2.

 

 

Ik kwam terecht op een medisch internaat. Alle kinderen die daar woonden, hadden een medische indicatie. Ze hadden psychische en/of lichamelijke problemen. Het duurde lang voordat ik er gewend was. Gelukkig had ik een eigen slaapkamer. Hier zonderde ik me vaak af. Ik had geen behoefte aan mensen om me heen. De enige die ik toeliet was een stagiaire Bij haar kon ik mezelf zijn. Ze nam me in het weekend weleens mee naar huis. We zaten samen op de bank terwijl ze een liedje zong of een verhaaltje vertelde. Ik zat dicht tegen haar aan met haar arm om me heen. Meer had ik niet nodig om me gelukkig te voelen.

Toen ik zeven jaar was, werd ik ziek. Eerst dacht men dat het de griep was. Mijn gezondheid ging snel achteruit. Ik werd een aantal weken opgenomen op de ziekenzaal. Ik was erg moe en sliep de hele dag. Op een middag waren ze me kwijt. Ik was weggelopen. Na een tijdje wed ik gevonden, Ik liep buiten met blote voeten in de sneeuw. Ik huilde maar kon niet vertellen wat er aan de hand was. Tijdens mijn verblijf op de ziekenzaal werd ik lastiggevallen door mijn begeleider. Hij kon niet van mij afblijven. Hij kwam weleens bij mijn ouders op huisbezoek. Ik moest daar ook bij zijn. Ik verstopte mijn gezicht achter een kussen. Ik was doodsbang en kon geen woord uitbrengen. Mijn moeder zag het gebeuren. Ze zei dat ik me niet zo moest aanstellen. Jaren later vertelde ze dat ze hem sowieso niet vertrouwde. Ze had aangevoeld dat er iets aan de hand was. Toch deed ze er niets mee.

 

In de groep kreeg ik last van woedaanvallen. Tijdens deze aanvallen beschadigde ik mezelf. Wanneer iemand me vastpakte, ging ik door het lint. Niemand mocht mij aanraken. Ik werd naar de isoleercel gebracht. De wanden en de vloer bestonden uit zacht materiaal. Hier brachten ze mij naar toe om uit te razen. Wanneer ik rustig was, vroeg ik me af hoe ik hier terecht kwam. Ik schrok van wat ik zag. Meestal had ik een flinke bult en schaafwond op mijn hoofd door het bonken tegen de muur. Bosjes haar lagen naast me. Deze had ik uit mijn hoofd getrokken. Soms had ik een flinke bloedneus. Ik wist niet wat er gebeurd was en begreep er niets van.

 

Soms mocht ik een weekend naar huis. Op vrijdag haalden mijn vader mij op. Thuis ging het niet goed. We groeiden steeds meer uit elkaar. Mijn moeder gaf me niet het gevoel dat ze blij was, mij te zien. Mijn jongste zusje kroop iedere nacht bij mij in bed. Dan zei ze dat haar mama niet mijn mama was. Ze was te jong om de situatie te begrijpen. Het kwetste me heel erg. Ik durfde er niet met mijn moeder over te praten. Ik was bang dat ze zou bevestigen dat ik haar kind niet meer was. Ik was immers niet voor niets uit huis geplaatst. Daarnaast was het voelbaar dat ik het zwarte schaap was. Mijn moeder zei altijd tegen mij dat ik een ongelukje was. En dat mijn vader mij met een zatte kop had gemaakt. Volgens haar had hij beter in de heg kunnen spuiten. Wanneer er ruzie was, kreeg ik overal de schuld van.

 

Tijdens het avondeten, zaten we met het hele gezin aan tafel. Soms werd er gelachen en hadden we plezier. Mijn moeder kon er niet tegen en werd dan heel kwaad op mij. Ze zei nooit iets tegen mijn zussen. Ik werd met mijn bord eten op de wc gezet. Het maakte niet uit of iemand net naar de wc was geweest. Ik moest ik mijn eten daar opeten en mocht pas terugkomen als zij daar zin in had.

 

Begin 1981 kwam mijn vader mij ophalen. Hij had een vrouw bij zich. Tijdens de rit naar huis werd er niets gezegd. De spanning was om te snijden. Een uur duurt erg lang wanneer er gezwegen wordt. Toen we eindelijk thuis aankwamen, had mijn vader een mededeling. Hij zei dat hij meeging met zijn nieuwe vriendin en dat mijn moeder dat goed vond. Hij vertrok en ik liep naar huis.

 

Mijn moeder vroeg meteen wat mijn vader mij had verteld. Ik herhaalde wat hij had gezegd. Mijn moeder begon te schelden en te tieren. Ze legde me niet uit wat er precies aan de hand was. Ze was alleen maar bezig met haar eigen frustraties. Mijn vader schreeuwde heel vaak: “Of zij eruit of ik er uit”. Met “zij” bedoelde hij mij. Ik voelde me schuldig. Ik durfde niets te zeggen. Ik trok me terug op de wc. Daar huilde ik zachtjes. Ik wilde niet dat mijn moeder mij zou horen. Zij had het al moeilijk genoeg. Door mij was mijn moeder ziek geworden. Nu gingen ze ook nog uit elkaar, door mij. Mijn gevoel werd bevestigd.

 

Mijn vader kwam mij zondagavond ophalen. Hij bracht me terug naar het internaat. Hij wist zich geen houding te geven. Ik werd compleet genegeerd. Hij bracht me tot aan de deur en ging niet mee naar binnen. Hij keek niet eens om toen hij weg reed. Ik liep meteen naar mijn kamer Ik had mezelf niet onder controle. Ik kreeg een enorme woede-uitbarsting.

 

De weekenden thuis verliepen moeizaam. Ik werd opgehaald door mijn vader en zijn vriendin. In de auto werd er niet veel gesproken. Wanneer hij iets zei, had hij het over zijn nieuwe gezin. Hij vroeg nooit, hoe het met mij ging. Ik had buikpijn als ik thuis aankwam. Ik wist niet hoe ik mijn moeder zou aantreffen. Meestal zat ze aan de keukentafel uit het raam te staren. Ze reageerde nauwelijks wanneer ze me zag.

Zondags zouden mijn zussen en ik naar mijn vader gaan. Uren zaten we voor het raam op hem te wachten. Hij liet niets van zich horen. Zondagavond bracht mij teug naar het internaat. Hij had altijd wel een smoesje waarom hij ons niet was komen halen. Hij beloofde gouden bergen. Hij kwam zijn beloftes nooit na. Nadat mijn ouders waren gescheiden, vond mijn vader het onzin dat hij heen en weer naar Venlo moest rijden alleen om mij op te halen. Hij weigerde dit te blijven doen.

 

Mijn moeder besloot dat ik vanaf dat moment alleen met de trein van- en naar het internaat moest reizen. Ik zei dat ik het niet durfde omdat ik het doodeng vond. Mijn moeder had daar geen boodschap aan. Ze werd kwaad op mij en zei dat ik me niet moest aanstellen. Als ik de weekenden nog naar huis wilde, moest ik niet zeuren. Ze zei dat ik bij “die vuile klootzak” moest gaan zeiken. Maar ze wist zeker dat het niet hielp omdat hij allang blij was, dat hij van mij af was.

 

Vrijdags nam ik de bus naar het station en nam vervolgens de trein. Mijn moeder kwam mij ophalen bij het station. Zondag bracht ze me weer naar het station. Daar nam ik de trein. Als ik zondagavond terug was op het internaat, voelde ik me altijd opgelucht dat het goed was gegaan.

 

Op een dag ging het mis. Ik zat in de trein naar huis toen er een wildvreemde man tegenover me kwam zitten. Hij begon tegen me te praten. Hij zei dat mijn ouders wisten dat ik met hem mee zou gaan en dat ze dit goed vonden. Ik geloofde hem niet omdat ik op het internaat had geleerd, nooit met vreemde mensen mee te gaan. Ik begon te huilen omdat ik niet wist wat ik moest doen. Hij kwam naast me zitten en sloeg een arm om me heen. Hij deed alsof hij mij wilde troosten. Maar dat was niet zo. Hij zei dat ik moest doen wat hij zei en dat ik nu toch niet meer weg kon. Toen de trein bij het station in Roermond stopte, trok hij mij mee naar buiten. De conducteur vroeg of alles goed was. De vreemde man lachte naar de conducteur en zei dat er niets aan de hand was. Ik kon geen kant meer op.

 

De vreemde man nam mij mee naar een hotel. Onderweg zei hij dat hij me terug zou brengen naar het station. Hij dreigde dat ik mijn ouders nooit meer zou zien als ik niet zou doen wat hij zei.

Toen we bij het hotel aankwamen, liepen we meteen de trap op, naar zijn kamer. Daar moest ik op het bed gaan zitten. Hij begon hij zich uit te kleden. Hij zei dat hij samen met mij een spelletje wilde spelen en dat ik ook mijn kleren uit moest doen. Ik wilde helemaal geen spelletje spelen en kon alleen maar huilen. Ik was doodsbang en zei dat ik naar huis wilde. Hij werd boos op mij omdat ik niet wilde mee spelen. Hij greep me vast en zei dat als ik ooit nog naar huis wilde, ik moest doen wat hij zei. Het was net alsof ik weg raakte en dat alles wat er gebeurde, langs me heen ging.

Hij kleedde me hardhandig uit, raakte me overal aan en kuste mijn hele lijf. Daarna heeft hij me verkracht. Toen hij klaar was, bleef ik muisstil ik op het bed liggen. Ik wachtte af omdat ik niet wist wat hij wilde. Hij stond op en kleedde zich aan en zei dat ik dat ook moest doen. Ik vroeg of ik naar de wc mocht omdat ik heel nodig moest plassen. Eigenlijk dacht ik dat ik in bed had geplast want zo voelde het. Dat durfde ik niet te zeggen. Na het plassen zag ik, dat wat ik voelde, bloed was. Ik was zo geschrokken, dat ik niet eens meer weet, hoe ik me heb aangekleed.

 

Alsof er niets was gebeurd, bracht hij me terug naar het station. In de trein kwam alles terug. Ik wist niet wat het was, wat hij had gedaan, alleen dat hij mij pijn had gedaan. Ik had zo’n pijn tussen mijn benen dat ik bijna niet meer kon zitten. De beelden kwamen telkens weer terug maar ik voelde er niets bij. Het was net alsof ik was verdoofd en mijn tranen op waren.

 

Toen ik op het aankwam, was mijn moeder heel erg kwaad op mij omdat ik veel te laat was aangekomen. Ze zei dat ze me nooit meer op zou komen halen als dit nog eens zou gebeuren. Ook vond ze mij een ondankbaar schepsel omdat ik niet liet blijken, dat ik blij was, haar te zien. Dat ze zolang op mij had moeten wachten, kon ze er echt niet bij hebben. Ze was al zo ziek en ik maakte haar alleen maar zieker. Ik kon op dat moment ook niet blij zijn en voelde me schuldig omdat ik mijn moeder dit had aangedaan.

 

Ik had zo’n pijn van onderen dat ik niet meer durfde te plassen. Ik stelde het zolang mogelijk uit maar moest uiteindelijk toch naar de wc. Daar zag ik dat er ook bloed in mijn onderbroek zat. Omdat ik mijn moeder niet nog meer wilde aandoen, durfde ik niks te zeggen. Ik ging naar mijn kamer en deed een schone onderbroek aan. De onderbroek waar het bloed in zat, verstopte ik in mijn weekendtas. Ik wilde hem meenemen naar het internaat en daar weggooien in de vuilnisbak.

 

De rest van het weekend bleef mijn moeder kwaad op mij. Ze bleef maar schelden en schreeuwen dat ik nooit meer thuis hoefde te komen als ik nog eens te laat zou zijn. Ik voelde me zo schuldig en kreeg er buikpijn en diarree van. Ik voelde me ziek en kon niet meer eten. Ik kon niet slapen door alles wat was gebeurd, maar ook omdat ik bang was voor mijn moeder. Ik wist dat ze heel erg kwaad op mij zou worden als ze de onderbroek zou vinden. Midden in de nacht werd ik wakker om te kijken of hij nog in mijn tas zat.

 

Zondag bracht mijn moeder mij naar het station. Samen zaten we op de trein te wachten. Ze vroeg waarom ik het hele weekend zo stil was. Ik kon haar niet vertellen wat er was gebeurd. Ik zei dat ik buikpijn en diarree had. Ze zei dat ze blij was dat ik eindelijk terugging naar het internaat. Ik moest niet zo zeuren want ik stelde me maar wat aan. Toen werd ik op de trein gezet. Ik raakte in paniek en was bang voor alles en iedereen. Ook was ik bang dat ik die man weer tegen zou komen. Gelukkig ging de treinreis goed.

 

Vanaf het station moest ik nog met de bus. Ik zag de halte waar ik had moeten uitstappen maar de bus stopte niet. Ik raakte helemaal in paniek en wist niet meer wat ik moest doen. Een oudere vrouw zag dat ik in paniek was. Ze vroeg wat er aan de hand was en probeerde me te kalmeren. Ze zei ik was vergeten op het knopje te drukken maar dat het allemaal goed zou komen. Bij de volgende halte stapte ik uit.

 

Toen ik op het internaat aankwam, liep ik meteen door, naar mijn kamer. Een groepsleidster kwam naar me toe. Ze vroeg hoe het weekend was geweest en vond dat ik er erg moe en bleek uitzag. Ik wilde het uitschreeuwen en vertellen wat er was gebeurd maar durfde het niet. Ik was veel te bang dat mijn moeder het dan ook te horen zou krijgen. Ik zei dat ik buikpijn en diarree had en haast niet had kunnen eten. Ze ging een kop thee voor me halen en liet me de rest van de avond met rust. Alleen op mijn kamer kwam alles eruit. Het leek alsof ik niet meer kon stoppen met huilen maar uiteindelijk viel ik toch in slaap.

 

Het ging steeds slechter met me. Ik stond op met buikpijn en ging naar bed met buikpijn. Mijn thuis was mijn thuis niet meer en op het internaat voelde ik me ook niet meer veilig Ik kreeg steeds vaker woede-uitbarstingen. Ergens had ik gehoord dat er een hemel zou zijn. Daar gingen mensen naar toe wanneer ze dood waren. Het was er mooi. Pijn en verdriet bestonden daar niet. Ik wilde daar heen. Alleen wist ik niet hoe ik dood zou kunnen gaan. Op een middag, op het internaat, ging ik voor de spiegel staan. Ik hield mijn adem in en kneep mijn neus dicht. Na een tijdje viel ik flauw. Ik viel met mijn hoofd op de kraan. Ik was kwaad en teleurgesteld dat ik niet in de hemel was.

 

Vlak daarna hadden we een groepsuitje. We gingen op de fiets naar de bioscoop. Het was een heel eind fietsen. We moesten een drukke weg over. De groep stond voor het stoplicht. Het was rood. Ineens kreeg ik kriebels in mijn buik. Ineens wist ik, hoe ik dood kon gaan. De auto’s begonnen te rijden. Ik hoorde in mijn hoofd dat het goed was. “Niet bang zijn, doe het nu maar…” Ik bedacht me geen seconde en gooide me voor een auto. Ik voelde een harde klap en daarna niets meer. Ik raakte bewusteloos. Na een tijdje kwam ik heel langzaam bij. Van ver weg hoorde ik geluiden. De geluiden kwamen steeds dichterbij. Ik hoorde stemmen van mensen. Mensen die tegen mij praatten. Ik deed mijn ogen open. Ik lag op een bank in de woonkamer en zag dat ik in een vreemd huis was. Een vrouw begon tegen mij te praten. Eigenlijk was ze heel aardig. Toch wilde ik niet horen wat ze te zeggen had. Ik was boos, heel erg boos. Het was weer niet gelukt. Ik was niet in de hemel.

 

In juni 1982, een week voordat ik 10 jaar werd, kreeg ik mijn eerste menstruatie. Ik logeerde dat weekend bij mij moeder. Toen ik naar de wc, schrok ik heel erg omdat er bloed in mijn onderbroek zat. Beelden van de verkrachting kwamen omhoog. Gelukkig had ik intussen voorlichting gehad op het internaat en wist ik dat ik voor de eerste keer ongesteld geworden. Ik durfde niets tegen mijn moeder te zeggen. Zij zag aan me dat er iets was. Ik huilde en vertelde dat ik ongesteld was geworden. Het enige wat ze zei was, dat ik maar zelf maandverband moest gaan kopen. De winkels waren al dicht. Mijn moeder stuurde me naar het woonadres van de eigenaar van een rijdende winkel, die wekelijks bij ons in de straat kwam. Mijn moeder had geen geld. Ik moest niet alleen maandverband gaan kopen maar ook nog vragen of hij het wilde opschrijven. Mijn moeder zou hem de week erop wel betalen. Ik durfde niet, schaamde me dood en voelde me vernederd.

 

Vlak voor kerstmis in 1993 moest ik voorgoed naar huis. Ik wilde helemaal niet naar huis. Het was mijn thuis niet meer. Mijn moeder had een nieuwe vriend. Hij was bij mijn moeder ingetrokken. Ik was vervreemd van mijn moeder en mijn zussen. Vooral het contact met mijn jongste zusje was moeilijk. Zij zag mij niet als een kind van haar moeder. Ik voelde me geen deel van dit gezin. Ik miste de stagiaire waar ik een goede band mee had, heel erg. Ze mocht één keer bij mij op bezoek komen. Mijn moeder vond het beter dat ik haar niet meer zou zien. We hadden afgesproken dat we elkaar zouden schrijven. Ik maakte tekeningen en schreef regelmatig brieven en kaarten. Ik heb nooit meer iets van haar gehoord of gezien.

 

Mijn moeder was vrijwel meteen op zoek gegaan naar een nieuw internaat en ik wist nergens vanaf. Ik woonde net een aantal weken thuis. Op een middag stapten we in de auto en gingen op intakegesprek. Het internaat leek net een gevangenis. Mijn moeder dreigde iedere dag dat ik weer uit huis geplaatst zou worden. Er ontstonden steeds meer spanningen. Wanneer er ruzie was tussen mijn zussen en mij, werd ik geslagen of gestraft. Ik liep constant op mijn tenen en kon er niet meer tegen. Nadat ze me van de trap af duwde en het zoveelste dreigement dat ik naar een internaat moest, vluchtte ik in maart 1984 het huis uit.

 

Ik had vrijwel geen contact meer met mijn vader. Alles was beter dan een internaat. Inmiddels was mijn vader getrouwd. Zij had kinderen uit een vorig huwelijk. Ik werd met open armen ontvangen en wist niet wat me overkwam. Mijn vader belde mijn moeder om te vertellen dat ik bij ik hem was. Mijn moeder zei, dat ik maar in mijn sopje moest gaarkoken. Ik hoefde nooit meer één voet over de drempel te zetten. Het was allemaal mijn eigen schuld. Ik was immers weggelopen. Jarenlang liet mijn moeder niets meer van zich horen.

 

Het contact met mijn vader ging in het begin best aardig. Al vrij snel merkte ik dat er problemen waren tussen mijn vader en zijn vrouw. Mijn vader was nog steeds alcoholist. Zij dronk met hem mee. Mede door de drank hadden ze vaak hoogoplopende ruzies. Ook liet ze mij duidelijk merken dat ik niet haar dochter was. Meestal gebeurde dit wanneer mijn vader niet thuis was. Ik had vanaf het begin al het gevoel dat dit niet lang goed zou gaan. Mijn gevoel werd bevestigd. Na een aantal weken ging het mis. Ze zouden gaan scheiden. Vlak voor de schoolvakantie werd ik op straat gezet. Ook mijn vader liet jarenlang niets meer van zich horen.

 

In de schoolvakantie werd ik geplaatst bij een gastgezin. Zij waren een crisisopvanggezin. Het gezin bestond uit mijn vader, moeder en een zoon. Het waren aardige mensen. Ik wist dat dit een tijdelijk oplossing zou zijn en daardoor hield ik bewust afstand. We leefden langs elkaar heen. Ik zat constant op mijn kamer. Soms ging ik naar buiten dan hing ik maar wat rond op straat. Intussen ging jeugdzorg op zoek naar een pleeggezin. Na een aantal weken hadden ze een pleeggezin voor mij gevonden.