Mirte&Co3

 

 

Na een aantal weken had jeugdzorg een pleeggezin voor mij gevonden. Het gezin bestond uit vader, moeder en zij hadden één dochtertje.

 

De afspraak was, dat ik mocht aangeven of ik me er goed bij voelde. Wanneer ik het niet zag zitten, zou er gezocht worden naar een ander gezin.

We gingen op huisbezoek. Het was een vreemde kennismaking. Ze hadden een dierenwinkel aan huis. Dat sprak me wel aan. Ik hield heel erg van dieren. Mijn pleegmoeder leek een aardige vrouw. Mijn pleegvader kwam overdreven aardig over. Hij deed te goed zijn best. Hun dochtertje was zes jaar. Ze was erg verlegen. Ze hing aan haar moeder en ontweek de blik van haar vader. Ik had er meteen geen goed gevoel bij.

 

Na het kennismakingsgesprek vertelde ik, dat ik me niet op mijn gemak voelde. Jeugdzorg vond dat ik het toch een kans moest geven. Ik ging twee keer twee weekenden bij hen logeren. Ik voelde duidelijk dat er iets niet klopte. Jeugdzorg geloofde mij niet. Volgens hen was mijn gevoel, nergens op gebaseerd. Tegen de afspraak in, werd ik in het pleeggezin geplaatst.

 

Ik werd opgehaald bij het crisisopvang gezin. Het was best gezellig in de auto. Ik had mijn pleegzusje nog niet eerder zo vrolijk meegemaakt. Vlak bij huis veranderde de sfeer. Mijn pleegzusje werd heel stil. Ik pakte mijn spullen uit de auto en we gingen samen we naar binnen.

 

Mijn pleegvader zat aan de keukentafel. Ik moest voor hem gaan staan. Hij wilde me eens goed bekijken. Ik werd van top tot teen gekeurd. Hij vond dat ik er niet uit zag. Hij nam mij mee naar de kapper. Mijn haar werd geknipt en gepermanent. Ik wilde helemaal geen krullen. Het paste niet bij mij. We reden naar huis en ik voelde me doodongelukkig. Mijn pleegvader had ook nieuwe kleren voor me gekocht. Ik vond ze afschuwelijk. Ik had zelf niet veel kleren maar ik voelde me er prettig in. Al mijn spullen verdwenen in de vuilnisbak. Ik werd bang van de blik in zijn ogen en durfde er niets van te zeggen.

 

Mijn pleegvader nam mij mee naar boven. Daar moest ik me uitkleden. Ik durfde dat niet. Hij zei dat ik me niet moest aanstellen. Ik begon te huilen omdat ik bang was. Hij sloeg me recht in mijn gezicht. Hij zei dat ik niks te willen had. Het was alsof ik aan de grond stond genageld. Ik kon niks meer. Als een robot kleedde ik me uit. Weer werd ik bekeken van top tot teen. Hij vond mij een vies, vet, lelijk en stinkend varken. Voordat ik mijn nieuwe kleren aan mocht, moest ik me douchen. Ik zei dat ik me al had gedoucht. Daar had hij geen boodschap aan. Hij zou mij weleens leren hoe ik me écht moest wassen. Ik waste haar haren. Het was niet goed genoeg en het moest opnieuw. Daarna waste ik mijn lijf. Ieder plekje werd gecontroleerd. Ik wilde uit de douche stappen maar dat mocht niet. Hij wilde kijken of ik van onderen wel goed schoon was. Het liefst zakte ik door de grond. Ik kon het niet aan hem laten zien. Opnieuw begon hij te slaan. Op dat moment ging een knop om. Mijn gevoel werd uitgeschakeld. De aanrakingen voelde ik niet. Hij ging met zijn vingers bij me naar binnen omdat hij wilde weten of ik nog maagd was. Door eerder misbruik, was ik geen maagd meer. Hij werd woest en sloeg me overal waar hij me raken kon. Hij had om een pleegdochter gevraagd en niet om een vuile hoer. Het ging allemaal langs me heen. Ik ging me afdrogen en ook hiermee hielp hij een handje. Hij schuurde zo hard met de handdoek tussen mijn benen, dat het wond was. Hij zei dat hij nu niet bang hoefde te zijn dat ik de hoer ging uithangen. Hij verliet de badkamer en ging naar beneden.

 

Er werd beneden op me gewacht. Toen ik beneden kwam, werd er een spiegel in mijn handen gedrukt. Ik moest in de spiegel kijken. Ik had lichte wimpers en wenkbrauwen. Hij wilde mijn lelijke varkensogen nooit meer zien. Hij gaf mij mascara. Vanaf die tijd moest ik me iedere dag opmaken. Daar stond ik dan. Ik kon niet bevatten wat er allemaal was gebeurd. Dit was het begin van vier jaar lang mishandeling en seksueel misbruik.

 

Na de grote vakantie ging ik naar het voortgezet onderwijs. Op de basisschool kreeg ik havoadvies. Mijn pleegvader dacht daar anders over. Ik had geen hersens, was te dom en te stom om te leren en kon zeker geen havo aan. Ik werd geplaatst op de huishoudschool.

 

Mijn ouders werkten beide. Mijn pleegvader werkte in de dierenzaak. Mijn pleegmoeder werkte buitenshuis. Voordat ik naar school kon, moest het huis aan kant zijn. Ik stond heel vroeg op en maakte het ontbijt klaar, poetste de keuken en woonkamer en vertrok naar school. Daar kon ik even bijkomen.

 

Ik verveelde me rot op school. Ik werkte beneden mijn niveau. Na schooltijd was ik verantwoordelijk voor de zaak. Ik bediende de klanten, zorgde voor de dieren en hield alles schoon. Zodra mijn pleegzusje uit school kwam, paste ik ook op haar. Daarnaast ging het huishouden gewoon door. Koken, wassen, strijken enz. Tijdens het avondeten kon ik weer even bijkomen. Ik was doodmoe. Na het eten deed ik de afwas. Alles wat ik had gedaan, werd gecontroleerd. Wanneer het niet perfect was, moest het opnieuw. Mijn pleegvader vond het nooit goed genoeg, hoe hard ik mijn best ook deed.

 

S-Avonds moest ik huiswerk maken. Mijn pleegvader gaf me extra huiswerk. Het waren achteraf gezien, opdrachten die niet te doen waren. Zo moest ik bijvoorbeeld binnen een uur een pagina uit de atlas van buiten leren. Na een uur, op de minuut af, kwam hij me afvragen. Iedere fout die ik had gemaakt, werd bestraft. Eén fout stond gelijk aan één slag met de riem of een ander voorwerp. Ik moest de plek op mijn lichaam zelf aangeven. Huilen mocht niet. Ik had fouten gemaakt, dus had ik straf verdiend. Wanneer ik mijn tranen niet kon bedwingen, gaf hij mij "een reden om te huilen". Dit ging door totdat ik mijn pijn en verdriet kon onderdrukken. Na dit tafereel moest ik hem bedanken. Ik zou hier later alleen maar profijt van hebben. We gingen samen naar beneden. Ik moest laten zien hoe dankbaar ik was. Hij wilde per se dat ik zou zeggen dat ik van hem hield. In het begin kreeg ik de woorden niet over mijn lippen. Uiteindelijk werden de woorden uit mijn mond geslagen. Hij had me gebroken. Alles wat hij aan mij vroeg, deed ik.

 

S-Nachts kwam hij het meestal "goedmaken". Hij had zogenaamd spijt van zijn daden. Hij wilde lief voor me zijn. Eerst had ik niets in de gaten. Mijn pleegvader bracht het zo, dat ik erin geloofde. Hij vroeg of hij mijn rug mocht masseren en ik de zijne. Ik zag er niks kwaads in en vond het goed. Al snel had ik door dat hij meer wilde dan alleen “lief zijn”. Tijdens het masseren moest ik hem bevredigen. Daarna ging hij steeds verder en werd ik bijna dagelijks verkracht. Hij zei dat alle vaders dit met hun dochters deden. Het hoorde er nu eenmaal bij. Ik moest dit prettig vinden. Ik vond het helemaal niet prettig en hij deed me pijn. Ik werd overspoeld met tegenstrijdige gedachten, gevoelens en discussies in mijn hoofd. Verzetten had geen zin. Waarom zou ik ertegen vechten als alle vaders dit met hun dochters deden? Had ik het wel tegen kunnen houden of kunnen stoppen? Ik had veel harder moeten vechten. Hij was sterker. Dit kon ik nooit van hem winnen. Misschien wilde hij het wel echt goedmaken…? Soms kreeg ik woede-uitbarstingen. Ik probeerde hem van mij af te slaan. Na een aantal uur werd ik wakker in mijn bed. Bont en blauw en letterlijk verslagen. Ik kon me niet meer herinneren wat er was gebeurd. Verzetten had geen zin. Hij was sterker. Dit kon ik nooit van hem winnen.

 

Toen ik twaalf was, werd ik niet ongesteld. Ik voelde me goed. Er was niks aan de hand. Toch stuurde mijn pleegvader mij naar de huisarts. De huisarts zei dat het niks verontrustends was. Ik was nog jong. Het kon weleens gebeuren dat mijn menstruatie een tijdje weg bleef. Op een avond nam mijn pleegvader mij mee naar een bos. Wanneer dat gebeurde, wist ik al wat me te wachten stond. In het bos kon hij zijn gang gaan. Niemand die iets zag of hoorde. Hij werd laaiend, begon te schelden en te tieren. Ik was een hoer. Ik had beter op moeten letten. Het was mijn schuld. Ik wilde niet horen wat hij allemaal riep. Ik sloot me ervoor af. In mijn hoofd was ik met hele andere dingen bezig. Hij begon te slaan en te schoppen en ging op haar buik staan. Daarna werd het zwart voor mijn ogen en verloor ik mijn bewustzijn. De dag erna werd ik wakker met overal pijn en enorme krampen in mijn buik. Ik kon nauwelijks lopen. Ik wist niet wat er aan de hand was en dacht dat ik dood zou gaan. Op de wc zag ik dat ik heftig vloeide. Ineens stond ik op mijn slaapkamer, naast het bed met een heel klein kindje in mijn handen. Ze huilde heel even maar plotseling werd ze stil. Ze was overleden in mijn handen. Ik wist niet hoe het kindje in mijn buik was gekomen. Langzaam drong tot me door, wat er was gebeurd. Ik was zwanger geraakt door mijn pleegvader. Dat was de reden waarom hij me zo had geschopt en geslagen. Het kindje mocht er niet zijn. Ik hield het kindje vast en bleef kijken. Een heel klein kindje met alles erop en eraan. Ik kon niet meer stoppen met huilen. Ik raakte in paniek. Huilen mocht niet. Ik was bang om gestraft te worden. De knop ging om. Het kindje verstopte ik onder het bed in mijn kamer en ik voelde niks meer. Ineens kreeg ik opnieuw krampen. Ik ging naar de wc en verloor flinke bloedstolsels. Ik vond het eng om te zien maar gevoelsmatig deed het me niks meer. Ik ging douchen, verschoonde het bed en wiste alle sporen uit. Ook mijn lichaam werd uitgeschakeld. Ik nam pijnstillers en ging naar beneden alsof er niets was gebeurd. Hij werd kwaad omdat ik er niet uit zag en was gefrustreerd omdat hij nu zelf in de winkel moest staan. Ik moest me nuttig maken en extra dingen in huis doen.Van de dagen erna kon ik me niets meer herinneren. Wat ik met het kindje zou gaan doen, dat wist ik nog niet. Ik wilde het ook niet weten. Twee dagen hield ik het kindje bij me. Het feit dat ik door verkrachting zwanger was geraakt, stond los van, wat ik voor haar voelde. Ik keek heel vaak naar haar. Ze was helemaal af, alleen veel te klein maar zo mooi. Ze kreeg de naam Sterre omdat ze een sterretje in de hemel was. Nu ze een naam had, kon ik haar begraven. Midden in de nacht toen iedereen in huis sliep, begroef ik Sterre in de tuin. Mijn pleegvader moest gezien hebben dat ik haar begroef. Na een paar dagen had hij haar uitgegraven. Hij liet het me zien door op de plek waar ze lag, de kuil open te laten. Hij zei dat hij het probleem had opgelost. Opgeruimd stond netjes. Ik had er heel vaak nachtmerries over. Midden in de nacht schrok ik wakker. Er kwamen allerlei beelden in mijn hoofd. Wat had hij met het kindje gedaan? Waar was ze nu? Mijn grootste angst was dat ik opnieuw zwanger zou raken.

 

Mijn pleegvader ging altijd op zoek naar nieuwe dingen. Gruwelijke dingen die ik moest doen waarmee hij mij mee kon breken. Ik hield heel erg van dieren. Dat had hij al heel snel in de gaten. Hij was duivenmelker. De duiven vlogen wedstrijden. Ze werden naar Frankrijk gebracht en vlogen op eigen kracht terug. Ik vond het mooi om te zien dat ze de weg naar huis altijd weer terugvonden. Wanneer de duiven niet goed genoeg vlogen, werden ze gedood. Ik vond het afschuwelijk en kon dat niet bevatten. Mijn pleegvader wist dat ik er niet tegen kon. Ik moest het ook gaan doen. Het begon met het vasthouden van de vuilniszak. Ik kon er niet naar kijken. Ik wendde mijn blik af. Ik kon er niets aan doen. Het ging automatisch. Hij werd woedend. Ik moest me niet zo aanstellen. Op dat moment ging hij net zolang door totdat ik wel zou kijken. Het kijken naar, was niet genoeg. De volgende duif was voor mij. Ik moest het dier de nek omdraaien en het kopje eraf trekken. Als ik het niet zou doen, zou ik net zo eindigen als de duiven…

 

Kennelijk was dit nog niet luguber genoeg. Het kon nog veel erger. In de winkel zaten allerlei soorten dieren. Hij vroeg wat mijn lievelingsdier was. Ik had niet echt een voorkeur. Ik mocht een konijntje uit de kooi halen. Het was een zwart konijntje dat veel kleiner was dan de rest. Ik hoopte altijd dat het diertje nooit verkocht zou worden. Ik nam het uit de kooi en zat er mee op schoot. Hij rukte het konijntje uit mijn handen. Met het konijntje gebeurde hetzelfde als met de duiven. Ik voelde me zo schuldig. Ik had het kunnen weten. Een aantal dagen later moest ik weer een dier uitzoeken. Het mocht geen konijn zijn. Die hadden we al gehad. Ik zocht een vis uit. Dit leek me het minst erge. Het visje werd op tafel gelegd. Ik moest blijven kijken totdat hij uit gesparteld was. Eindelijk was het beestje dood. Ik dacht dat het nu over was. Hij begon heel hard te lachen. Zo gemakkelijk kwam ik er niet vanaf. De vis werd als een maatje voor mijn mond gehouden. Ik moest het opeten. Dit kon hij niet menen. Ik raakte volledig in paniek. Ik had niets te willen. Het moest en zou gebeuren. Ik moest regelmatig een dier uitzoeken. Deze werden gedood door hem of door mij. Uiteindelijk moesten ze worden opgegeten. Sommige rauw, andere gebakken of gekookt. Zodra ik het had gegeten, stopte ik een vinger in mijn keel. Toen hij door had dat ik ging overgeven, liet hij me uren aan tafel zitten. Mijn lichaam kwam in opstand. Ik had steeds vaker last van maagpijn en diarree. Ik kreeg maag- en darminfecties. Ik kon geen eten meer binnenhouden. De huisarts schreef medicijnen voor. Dat hielp maar tijdelijk. Zodra ik me beter voelde, begon het ritueel van voren af aan.

 

Iedere dag gebeurde er wel iets. Op een dag zaten we aan tafel. Mijn pleegvader moest mij iets vertellen. Hij vertelde dat mijn moeder was overleden. Ik had al jaren geen contact meer met mijn moeder. Hij vertelde dat mijn moeder zelfmoord had gepleegd. Ik mocht er geen verdriet van hebben. Ik had mijn moeder de dood ingejaagd. Mijn moeder wilde niets met mij te maken hebben. Ook nu niet. Ik mocht niet naar de begrafenis. Ik ging gebukt onder schuldgevoelens omdat we met ruzie uit elkaar waren gegaan. Nadat hij dit vertelde, mocht er nooit meer over gesproken worden. Nu mijn moeder overleden was, wilde mijn pleegouders, mij adopteren. Hij vertelde dat jeugdzorg hen zag als het perfecte gezin. Zij stonden volledig achter hen. Het was alleen nog wachten op de papieren. Ik was zo gehersenspoeld dat ik het allemaal geloofde.

 

Tijdens mijn verblijf in het pleeggezin, kregen ze nog een pleegdochter. Angela was bijna achttien jaar. We sliepen samen op één kamer. Veel contact hadden we niet. Angela was veel met haar uiterlijk bezig. Mijn pleegvader kwam ’s nachts niet meer naar mij toe. Overdag werd ik steeds vaker naar de winkel gestuurd. Ik wist dat hij alleen wilde zijn met Angela. Ik vond het verschrikkelijk dat het gebeurde. Ik was ook opgelucht dat hij niet meer naar mij kwam. De opluchting was van korte duur. Na een aantal weken liep ze weg.

 

Af en toe vond er een gesprek plaats bij jeugdzorg. Ze vroegen hoe het ging. Ik mocht nergens over praten. Mijn pleegvader bedreigde me met de dood. De angst zat er goed in. Daarbij zouden ze me toch nooit geloven. Na een mishandeling kwam ik mijn maatschappelijk werkster, Marian, tegen. Ik had een dik gezicht en zat onder de blauwe plekken. Marian vroeg wat er gebeurd was. Ik vertelde dat hij mij had geslagen. Marian zei dat ik beter mijn best moest doen. Ouders gaven weleens een klap maar dat was zeker niet kwaad bedoeld. Ik wist genoeg en zweeg.Tijdens een gesprek werd het me allemaal te veel. Ik riep iets waaruit ze konden opmaken dat ik werd mishandeld. Dit deed ik niet bewust. Ik kon het me niet eens meer herinneren. In de auto terug naar huis werd mijn pleegvader woest. Hij zou het er niet bij laten zitten. Ik was een vuile verraadster en was het niet waard om te leven.

 

De vrijdag daarna gingen mijn pleegmoeder en pleegzusje logeren bij familie in Amsterdam. Ze deden dit wel vaker maar dan ging ik altijd mee. Het was de eerste keer dat ik niet mee mocht. Ik mocht zelfs een vriendin uitnodigen om te komen logeren. Ook dit was heel vreemd. Ik mocht nooit iemand uitnodigen. Zelfs niet om even op bezoek te komen. Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Mijn vriendin Anita was blij dat ze eindelijk eens bij mij langs mocht komen. Mijn pleegvader had boodschappen gedaan zodat we het samen gezellig konden maken. We mochten de hele avond alleen thuisblijven. Hij vertrok naar het café.

 

Anita en ik zaten tv te kijken. Ineens begon de hond te blaffen. We hoorden de voordeur opengaan. Er kwam niemand de woonkamer in. Het was weer stil. Ik liep naar de keuken om drinken in te schenken. Op dat moment hoorden we een knal. De stroom viel uit. Het werd ineens helemaal donker. We hoorden voetstappen op de trap en begrepen er niets van. We waren doodsbang. Ik riep de naam van mijn pleegvader. Ik schreeuwde dat ik het echt niet grappig vond en raakte in paniek. Er kwam geen antwoord. Toen hoorden we de voordeur dichtslaan. Anita huilde en raakte in paniek.

 

We wilden naar buiten vluchten. Alle deuren zaten op slot. Op het sleutelrekje hingen geen sleutels meer. We gingen naar de keuken maar konden geen kant meer op. Ik werd zo kwaad. Ik nam een stoel en sloeg dwars door een raam heen. Door het raam vluchtten we naar buiten. Het sneeuwde en was ijskoud. We renden de tuin uit. Buiten kwam ik weer een beetje tot mezelf. We zagen dat het huis in brand stond. Grote vlammen kwamen uit de schoorsteen. We belden aan bij de buren en zij belden de brandweer. Het vreemde was, dat mijn pleegvader eerder bij het huis was dan de brandweer. Hij pakte mij vast bij mijn arm. Ik moest met hem mee. Als ik mijn mond open zou doen, liep het de volgende keer anders met mij af. Ik wist niet wat ik hoorde. Ineens begreep ik wat er was gebeurd. De brandweer wilde een verklaring. Anita vertelde wat ze had gehoord. Ik durfde niets te zeggen. Er kwam geen woord uit. Op dat moment had ik gewild dat ik in de vlammen op was gegaan. Uit onderzoek bleek dat de brand op zolder was begonnen. Ik sliep op zolder. Mijn hele kamer en al mijn spullen waren verwoest.

 

We konden niet meer in dit huis wonen. We trokken met het hele gezin bij oma. Oma was een aardige vrouw. Ze woonde in een heel klein huisje. Ik dacht dat mijn pleegvader mij nu met rust zou laten. Oma was immers altijd in huis. Niets was minder waar. Mijn pleegvader raakte gefrustreerd en nam me steeds vaker mee naar het bos. Ik kon me vaak niets meer herinneren. Oma wist wat er gebeurde. Uit angst greep ze niet in. Ze was slachtoffer van haar eigen zoon.

 

Na een aantal maanden verhuisden we naar een flat. Mijn pleegvader was vaak weg. Er was geen dierenwinkel meer. Ik moest de flat bijhouden. Inmiddels zat ik op de havo. Mijn pleegvader bedacht steeds meer huiswerk. Wat hij zei, was de waarheid. Wat in de schoolboeken stond, klopte volgens hem niet. Zoals hij het mij leerde, moest ik het tijdens proefwerken opschrijven. Wanneer ik een slecht cijfer haalde, werd ik gestraft. Ik raakte helemaal in de war en kon niet meer leren. Ik wist niet meer wat wel of niet waar was. Ik was heel bang om fouten te maken. Mijn cijfers gingen snel achteruit. Daardoor werd ik steeds vaker mishandeld. De mishandelingen werden extremer. In het bos speelde hij een smerig spelletje. Eerst moest ik zelf een tak uitzoeken. Daarna moest ik aangeven, waar hij mij zou slaan. Hij genoot hiervan. Nadat het gebeurd was, lachte hij me recht in mijn gezicht uit. Hij gaf mij de schuld van dit ritueel. Ik had immers zelf aangegeven wat er moest gebeuren.

 

We kregen een gesprek met de mentor van school. Het viel hem op dat mijn cijfers achteruitgingen. Mijn pleegvader vertelde dat ik het moeilijk had. Mijn moeder had zelfmoord gepleegd en ons huis was afgebrand. Mijn mentor was verbaasd. Ik had hem er niets verteld. Mijn pleegvader kwam heel overtuigend over. Hij voerde een toneelspel op. Ik bevestigde zijn verhaal. Het was mijn pleegvader gelukt, mijn mentor was gerustgesteld. We konden weer naar huis.

 

Mijn pleegvader vond dat ik iets moest doen “om de kost te verdienen”. De zaak was afgebrand en hij had geen inkomsten meer. Hij nam mij mee naar een huis ergens in België. Aan de buitenkant leek het een “normaal” woonhuis. Alleen waren alle rolluiken dicht. Hij belde aan en een Indische vrouw van middelbare leeftijd deed open. Ze was overdreven vriendelijk en ze zag er niet uit. Ze was volslank en heel zwaar opgemaakt Ze droeg een knalrood jurkje dat veel te klein en te bloot was. Onder haar jurkje droeg ze jarretelles en hele hoge hakken. Mijn pleegvader wees me de weg naar een bovenkamertje. In de kamer stond een groot bed. Aan een rek hing allerlei kleding. Hij zocht iets uit, wat ik aan moest trekken. Het was afschuwelijk en ik voelde me er veel te bloot in. Vlak nadat ik me had omgekleed, moest ik op het bed gaan liggen. Hij had de eerste klanten al geregeld. Mijn pleegvader verhuurde mijn lichaam. De eerste keren keek hij toe. Hij wilde weten of ik mijn werk wel goed deed. Ik liet alles over me heen komen. Mijn hele zijn, was uitgeschakeld. De bazin kwam er na maanden achter dat ik minderjarig was. Vanaf dat moment moest ik ermee stoppen. Mijn pleegvader was woest. Hij was ervan overtuigd dat ik hem verraden had. Hij nam me mee en sloeg me bewusteloos.

 

Aangezien ik daar niet meer kon werken, bedacht hij weer iets nieuws. Ze hadden een hele grote hond. Hij was mijn maatje. Ik mocht alleen de deur uit, om hem uit te laten. Verder moest ik altijd binnen blijven. Voordat ik mocht gaan, moest ik precies vertellen welke route ik ging lopen. Mijn pleegvader kwam regelmatig controleren waar ik was. Hij kreeg in de gaten, dat de hond mijn maatje was. Vanaf dat moment sloeg hij de hond, met een ijzeren ketting. Ik moest erbij staan en mocht mijn hoofd niet wegdraaien. De hond jankte van de pijn. Eén keer heeft hij geprobeerd, van zich af te bijten. Mijn pleegvader werd woest en kneep zijn keel dicht. Hij viel op de grond. Ik dacht dat hij niet meer leefde en rende naar hem toe. Mijn pleegvader lachte me keihard uit en hield me tegen. Na een aantal minuten kwam de hond gelukkig weer bij. Achteraf denk ik dat hij beter dood had kunnen zijn. Wanneer we naar het bos gingen, moest de hond ook mee. Hij werd vastgelegd aan een ketting. Mijn pleegvader begon me te slaan en te schoppen. De hond mocht niet blaffen. Wanneer hij dat wel deed, werd ook hij, met een stok geslagen. Als mijn pleegvader klaar was met mij, moest de hond mijn wonden schoonlikken. Ook werd hij ingezet tijdens seksueel misbruik. Ik kan en wil niet verder niet ingaan op de details.

 

Op een nacht werd ik wakker door geschreeuw. Ik ging kijken wat er aan de hand was. Mijn pleegmoeder werd in elkaar geslagen door mijn pleegvader. Ik raakte helemaal in paniek. Ik was bang dat hij ook bij mij langs zou komen. Ik wachtte tot het weer stil was. Sinds een aantal jaren rookte ik stiekem. Mijn pleegvader had altijd sigaretten in zijn jaszak. Ik liep naar de gang en wilde een sigaret uit zijn jas halen. Ik voelde iets zitten wat ik niet thuis kon brengen. Eerst had ik een foto in mijn handen. Mijn pleegvader stond op de foto samen met de vrouw uit België waar ik had gewerkt. Op zijn schoot zat een klein jongentje. Het jongetje was twee druppels water met mijn pleegvader. Het zag uit, als het perfecte gezinnetje. Ik mocht nooit aan mijn pleegmoeder vertellen dat mijn pleegvader zoveel weg was. Nu wist ik waarom. Ik stopte de foto terug in zijn zak. Bij de foto zat een vuurwapen. Ik haalde het eruit en schrok me wezenloos. Hij had vaak gedreigd dat hij me zou vermoorden en gezegd dat hij een vuurwapen had. Nu wist ik zeker dat hij het meende. De angst gierde door mijn lijf. Die nacht kon ik niet meer slapen. Mijn pleegvader was tot alles in staat.

 

De vrijdag voor de kerstvakantie, kreeg ik mijn rapport en kreeg acuut een hyperventilatieaanval. Mieke een klasgenoot van de havo, zag het gebeuren. Zij had een tijd geleden, tijdens het omkleden bij de gymles, blauwe plekken gezien. Het waren de hand- en vingerafdrukken van mijn pleegvader op mijn bovenbeen. Ik had verteld dat het met stoeien was gebeurd. Mieke vond het een vreemd verhaal. Ik durfde de waarheid niet te vertellen omdat ik niemand meer vertrouwde. Nu moest ik wel, omdat ik bang was dat hij mij zou vermoorden zodra hij mijn rapport zou zien. Ik vertelde wat er de vorige nacht gebeurd was. Mieke zei dat ik daar weg moest en met haar mee naar huis kon. Ik durfde dat niet. Ik moest naar mijn pleegzusje die zo uit school zou komen. Mieke fietste mee naar de flat. Een halfuurtje later kwam mijn pleegzusje thuis. Ik gaf haar wat te eten en te drinken. Mijn pleegvader belde en zei dat hij binnen een kwartiertje thuis zou zijn. Opnieuw begon ik te hyperventileren. Het angstzweet brak me uit. Voor mijn gevoel waren mijn laatste uren geslagen. Mieke praatte op me in. Ze wist al langer dat er van alles aan de hand was. Ik wilde mijn pleegzusje niet alleen laten. Ook zij werd mishandeld en vermoedelijk ook misbruikt. Ik voelde me zo schuldig. En toch liep ik weg.

 

We fietsten naar het huis van Mieke. Ik werd heel goed opgevangen. Ik hoefde niks te zeggen en moest eerst maar eens rustig worden. Ik vocht tegen mijn tranen. De moeder van Mieke zag dit en sloeg een arm om me heen. Ik wist niet hoe ik hier mee om moest gaan. Ik was dit niet gewend. Samen gingen we op de bank zitten. Ik durfde niets te vertellen. Mieke vertelde over de blauwe plekken die ze bij mij had gezien. De moeder van Mieke beloofde, dat ik niet terug naar huis hoefde. Ineens werd ik heel bang en raakte in paniek. Ik vertelde dat hij een vuurwapen had. Ik kon hier niet blijven. Ze zei, dat wat er ook gebeurde, ik bij hen kon blijven. In overleg met mij, belden ze de politie. Na het avondeten zouden zij langskomen. Toen ik wat rustiger was, ging ik met Mieke mee naar boven. Er ging van alles door me heen. Uit angst ging ik het liefst terug naar het pleeggezin.

 

We zaten op bed muziek te luistere toen de deurbel ging. Mieke wilde gaan kijken wie het was. Ze bleef boven aan de trap luisteren. Daar stond mijn pleegvader. Hij vroeg of ik er was. De vader van Mieke ontkende. Mijn pleegvader geloofde hem niet en werd woest. Hij dreigde met zijn vuurwapen. Als hij erachter zou komen dat ik hier was, zou hij terugkomen. De ouders van Mieke belde opnieuw de politie.Even later kwamen twee rechercheurs. Het verhoor begon. Ze vroegen naar de naam en het adres van mijn pleegouders. Ik gaf ze deze informatie. De rechercheur kon het niet geloven. Mieke bevestigde de naam en het adres. Op dat moment werd de rechercheur kwaad. Hoe hadden ze ooit kinderen kunnen plaatsen in dit gezin? Mijn pleegvader bleek een bekende van de politie te zijn. Ik begreep niet wat hij bedoelde. Wat hij toen zei, zal ik nooit meer vergeten. Wanneer ik zou weten wat hij allemaal op zijn kerfstok had, zou ik geen oog meer dicht doen. Er werd meteen actie ondernomen. Ik kon nog amper afscheid nemen en moest direct mee naar het politiebureau.

 

Mijn pleegvader zei altijd dat niemand mij ooit zou geloven. Bij de politie hoefde ik nooit aan te kloppen, hij had daar zijn contacten. Om zijn woorden kracht bij te zetten, reden we vaak langs het bureau. Hij stopte de auto en deed het portier voor me open. Als ik in de cel wilde belanden, moest ik vooral aangifte gaan doen. Ik werd inderdaad opgesloten in een politiecel. Er werd verder niets uitgelegd. Ik was ervan overtuigd dat ik gestraft zou worden. Die nacht deed ik geen oog dicht. Ik had diarree van de stress en drukte op de bel. Een agent kwam me halen. Hij bleef bij de wc staan totdat ik klaar was. De deur van de wc mocht niet op slot. Daarna werd ik weer naar de cel gebracht. Opnieuw werd ik opgesloten.

 

De volgende ochtend werd ik opgehaald door een rechercheur. Er stond een stapel boterhammen klaar. Ik kreeg geen hap door mijn keel. Hij stelde allerlei vragen over mijn pleegvader. Ik kon geen antwoord geven. Ik vertrouwde niemand meer. Ik dacht dat mijn pleegvader samen met de politie een complot vormde. De rechercheur raakte geïrriteerd en zei dat hij mij niet verder kon helpen zolang ik zweeg. Ik kon echt niet over mezelf vertellen. Mijn pleegvader had me gedwongen dingen te doen waardoor ik vond dat ik zelf een dader was. Ik vertelde over Angela, het pleegmeisje dat op de ook even bij hen had ingewoond. Hij kon met haar contact opnemen wanneer hij iets wilde weten. Hij belde Angela op. Ze raakte helemaal overstuur. Ze wilde niks meer met het pleeggezin te maken hebben. De rechercheur vertelde dat ik ook op het bureau zat. Uiteindelijk heeft ze een verklaring afgelegd. Angela was weggelopen omdat ze misbruikt werd door mijn pleegvader. Ik voelde me schuldig. Ik kon haar niet steunen, bang om zelf gearresteerd te worden. Mijn pleegvader werd in eerste instantie opgepakt wegens verboden wapenbezit.

 

Marian, mijn begeleidster, kwam naar het bureau. Ze wilde een gesprek met mij en de rechercheur. Volgens haar lag de fout bij de pleeggezinnencentrale. In het dossier stond dat deze mensen absoluut niet geschikt waren als pleeggezin. Het dossier werd waarschijnlijk niet goed doorgenomen. Maar er was een te kort aan pleeggezinnen. Ik werd er geplaatst zonder verder onderzoek.