Mirte&Co4.

 

Vanuit het politiebureau werd ik naar een internaat gebracht. Er volgde een gesprek. Marjan vertelde in grote lijnen wat er was gebeurd. Ik kreeg meteen te horen dat ik er niet over mocht praten. Ik vond het niet erg. Ik kon er niet eens over praten. Tijdens dit gesprek kreeg ik te horen dat mijn moeder verhaal was gaan halen bij de politie. Ik wist niet wat ik hoorde. Mijn moeder had toch zelfmoord gepleegd? Mijn wereld stond op zijn kop. Ik kon niet geloven dat mijn moeder nog leefde voordat ik haar had gezien. Ik wist niet meer wat ik moest geloven. Ik vertrouwde helemaal niemand meer. Nergens was het veilig. Ik wilde weg van alles en iedereen en sloot me af, voor de buitenwereld.

 

Ik had een kamer toegewezen gekregen. Daar trok ik me terug. Ik werd opgehaald voor het avondeten maar ging niet mee. Ik hoefde niet te eten. De rest van de avond bleef ik op mijn kamer. Een groepsleidster kwam even bij mij zitten om met me te praten. Zij vertelde dat de andere kinderen één dezer dagen weg zouden gaan om thuis kerstmis te vieren. Iedereen ging naar huis om dit bij hun ouders vieren. Ik was de enige van mijn groep die op het internaat bleef. Omdat er op het hele internaat maar een paar kinderen zouden blijven, werden we allemaal samengevoegd tot één groep. Het deed me helemaal niets. Ik wilde helemaal niemand om me heen.

 

Zondagavond verhuisde ik naar de andere groep en bleef de rest van de avond op mijn kamer. De volgende ochtend stond ik heel vroeg op, in de hoop dat iedereen nog sliep. Ik raapte alle moed bij elkaar en liep de woonkamer in. Ik had het goed ingeschat want iedereen lag nog in bed. Dat kwam goed uit. Ik had even de tijd om rond te kijken waar ik terecht was gekomen. Ik rookte een sigaretje en ging terug naar mijn kamer. Voor het ontbijt werd ik opgehaald. Ik hoefde van de groepsleidster niet te eten maar moest er wel bij komen zitten. Ze liep met mij mee en stelde me voor aan de andere kinderen. Zelf kon ik geen woord uitbrengen.

 

Maandagochtend ging ik na het ontbijt een sigaretje roken in de woonkamer. Op de salontafel lagen de regionale kranten. Mijn oog viel meteen op de kop van een artikel in de krant. Er stond: “Man zou pleegkind hebben verkracht”. Ik wist meteen dat het over mijn pleegezin ging. Ik wilde het liefst heel hard wegrennen. Weg van alles en iedereen. De rest van de groep had het artikel ook gelezen. Iedereen had zijn mening wel klaar. Er ontstond een discussie. De opmerkingen die mij bijbleven waren, dat ik het zelf zouden hebben uitgelokt of dat het ging om een relatie. Er ontstond een achtbaan van emoties. Ik werd kwaad en begon te schreeuwen. Ik was boos dat het op de voorpagina van de krant stond. Het ging over mij. Ik wilde niet dat het daar zo open en bloot stond. Nu wist iedereen het. Niemand hoefden het te weten. Het ging niemand wat aan. De groep geloofde niet dat het om mij ging. Ze dachten dat ik het alleen zei om aandacht te trekken. Op dat moment brak ik. Paul kreeg gelijk. Niemand zou mij ooit geloven. Ik realiseerde me ineens wat hij allemaal met mij had gedaan. Ik zag beelden, flitsen van herinneringen. Ik hoorde Paul schreeuwen en voelde lichamelijke pijn alsof ik op dat moment misbruikt werd. Ik voelde me bedreigd en was ervan overtuigd dat de groep mij wat aan wilde doen. Ik raakte compleet in paniek en was alle controle kwijt. Toen ik weer tot mezelf kwam, lag ik op bed. Mijn lijf was gehavend door zelfbeschadiging. Doodmoe viel ik in slaap.

 

Na de kerstvakantie kreeg ik een gesprek met mijn vast begeleidster. Mijn moeder en haar vriend waren er ook. Mijn moeder leefde dus écht nog. Mijn moeder kwam binnen en deed heel afstandelijk. Ze zei dat ze niks voor mij had meegenomen omdat ik niet om te kopen was. Ik raakte helemaal in de war. Ik wist niet wat ze hiermee bedoelde. Mijn moeder en haar vriend gingen tegenover mij zitten. Ik wist me geen houding te geven. Ik durfde hen niet aan te kijken. Mijn moeder vertelde dat ze op het politiebureau geweest was om verhaal te halen.

Ze wilde precies weten wat er was gebeurd in het pleeggezin. Ze vertelde dat ze in het begin contact had opgenomen met Marjan. Ze had namelijk een vreemd voorgevoel. Ze vertrouwde min pleeouders niet. Marjan vond dat er niets mis was met hen. Volgens Marjan zag mijn moeder dingen die er niet waren. Er waren een aantal dingen gebeurd die moeder verzweeg. Mijn pleegvader had mijn moeder gebeld. Hij wilde een ontmoeting met haar alleen. Haar vriend mocht hier niets van weten. Mijn moeder kreeg er een vreemd gevoel bij en liet mijn oudste zus, de afspraak afbellen. Ze belde hem op zei dat mijn moeder niet kon komen omdat ze hoofdpijn had. Ook wist mijn moeder dat ik zwanger was geweest. Ze sprak mij eropaan. Ze zei dat het goed was dat het kindje het niet had overleefd. Wat moest ik met een kind van hem? Ik moest blij zijn dat het zo gelopen was. Ik durfde nooit te vragen hoe mijn moeder dit wist. De enige mogelijkheid was dat mijn pleegvader haar dit had verteld. Niemand anders wist van de zwangerschap af. Er klopte iets niet. Mijn moeder wist veel meer dan ze losliet.

 

Na het gesprek vertrokken mijn ouders weer. Ik wist niet of ik blij moest zijn met het contact. Ik kwam in een innerlijke strijd met mijn delen terecht. Er waren kindsdelen in mij, die mijn moeder heel erg miste. Net als vroeger waren zij op zoek naar liefde en aandacht van mijn moeder. Het was een wens die nooit vervuld zou worden. Daartegenover stonden de delen die mijn moeder haatte. Ik raakte in de war en wist niet meer of ik wel of geen contact met mijn moeder wilde.

 

Bij de meisjes van mijn groep vond ik geen aansluiting. Zij waren bezig met hun uiterlijk, vriendjes en seksualiteit. Daar had ik helemaal geen behoefte aan. Ik had contact met een jongen uit de groep. Hij was twee jaar jonger dan ik. Hij was anders dan andere jongens. Tegenover het kantoor lag een meidenslaapkamer. Twee meisjes waar ik weleens mee optrok, sliepen daar. Ik ging er weleens heen om te kletsen. Hij hoorde daar ook gewoon bij.Na een tijdje moest ik op gesprek komen. De vraag was of ik iets met hem had. Ik ontkende omdat ik daar helemaal geen behoefte aan had. Ze vonden dat ik te veel met hem optrok en vertrouwden dat niet. Ik mocht niet meer met hem alleen zijn. We moesten bij elkaar uit de buurt blijven. Ik vond het echt belachelijk. Ik zag hem als een broertje en hij zag mij als een zus. Wanneer ik maar het vermoeden zou hebben dat hij iets voor mij voelde, zou ik niet eens met hem willen en kunnen omgaan. Voor de groepsleiding was er geen discussie over mogelijk. En dus moesten we bij elkaar uit de buurt blijven.

 

Op het internaat kwam ik in aanraking met drugs. Er was heel makkelijk aan te komen en het was niet duur. Ik had dé manier gevonden om aan alle ellende te ontsnappen. Door te blowen kwam ik in een roes. Ik blowde vaak samen met, een groepsgenoot. Meestal deelden we onze jointjes. Wanneer ik niets meer te blowen had, kreeg ik wel iets van hem, en vice versa. Op een dag liep ik over het binnenplein en kwam ik hem tegen. Hij vroeg of ik nog iets te roken had. Ik gaf hem wat wiet en liep naar binnen. Een aantal dagen later moest ik bij de directrice komen. Ik werd van dealen beschuldigd. Ik vertelde haar hoe het was gegaan. Ze luisterde niet naar mij. Ik kreeg een waarschuwing. Wanneer ze het nog één keer zag, kon ik vertrekken.

 

Ik zat op de havo maar het ging niet goed op school. Ik kon me niet concentreren. Huiswerk maken, was een trigger. Ik ging steeds meer spijbelen. De uren die ik op school moest zijn, hing ik wat rond in de stad. Ik ging steeds meer blowen. Van mijn zakgeld kon ik het niet betalen. In de winkel stal in make-up. Deze verkocht ik aan de meisjes uit mijn groep. Eén keer per maand ging ik naar de HEMA en stal kleding. De kleding was niet of nauwelijks beveiligd. Een aantal dagen later ging ik terug en zei dat ik de kassabon kwijt was. Wanneer ik geen bonnetje had, kreeg ik geen namelijk geen kleedgeld. De medewerkers deden niet moeilijk en gaven mij een nieuwe bon. Deze leverde ik in bij de leiding. Ik inde mijn kleedgeld en betaalde daarvan mijn shag en mijn jointjes. Samen met een vriendin was ik bij AH. Ik nam een pakje chocoladelolly’s en stak deze in mijn zak. Mijn vriendin had van alles in haar jas gestopt. Ze nam een pak vanillevla en twijfelde of ze het wel zou meenemen. Uiteindelijk stopte ze deze ook in haar jas. Bij de kassa werden we aangehouden door het personeel. Zij brachten ons naar een kamertje en belde de politie. Deze waren vrij snel ter plekke. We moesten alles uit onze zakken halen en we werden gefouilleerd. Er werd een rapport opgemaakt. We kregen een winkelverbod. De kinderrechter moest maar beslissen wat er verder mee zou gebeuren. In eerste instantie moest ik lachen. Dat was van de zenuwen. Mijn binnenwereld was één grote chaos. De politie, het fouilleren en de kinderrechter waren enorme triggers. Het had zo’n impact op me dat ik nooit meer iets heb gestolen. Wanneer alleen al de gedachte in me opkwam, kreeg ik acuut buikpijn.

 

Mijn moeder wilde weer contact met mij. Soms bleef ik een weekend logeren. Het was vreemd om daar te zijn. Het voelde alsof ik bij vreemden logeerde. Mijn moeder pakte de draad weer op alsof er nooit iets gebeurd was. Ze schreeuwde en schold, dreigde nog steeds met zelfmoord en ook het slaan ging door. Intussen was ik eraan gewend, mishandelt te worden. Ik reageerde niet eens op haar klappen. Doordat ik ook niet reageerde op haar schreeuw- en scheldpartijen raakte ze steeds meer gefrustreerd en werd ik steeds vaker mishandeld.Ik wist, dat er een punt zou komen waarop ze mij weer zou afwijzen. Het duurde niet lang voordat dit gevoel werd bevestigd. De vriend van mijn moeder bracht mij op zondagavond terug naar het internaat. Ik gaf mijn moeder een zoen en vertrok. Bij het internaat gaf ik hem ook een zoen. Hij zag mij als zijn stiefdochter. Op een zondagavond bracht hij mij naar het internaat. Ineens ontstond er chaos en paniek in mij. Ik ging naar binnen en schoot in een herbeleving. Een groepsleider zag het gebeuren. Hij nam me mee naar kantoor. Hij wilde weten wat er gebeurd was. Ik vertelde dat er niets gebeurd was maar dat ik heel bang was voor de vriend van mijn moeder. Bang dat om opnieuw misbruikt te worden. Ik was bang dat het niet bij een “gewone zoen” zou blijven. Ik wist me geen raad. Terwijl ik aan het praten was, realiseerde ik me, dat ik op dat moment alleen met een mannelijke groepsleider op kantoor zat. Opnieuw schoot ik in paniek. Ik verliet het kantoor en vluchtte naar mijn kamer.

 

De volgende dag toen ik uit school kwam, moest ik op kantoor komen. Daar zaten mijn ouders op mij te wachten. Mijn moeder was woedend. Ik begreep werkelijk niet wat er aan de hand was. Ze begon meteen te schreeuwen en te tieren. Volgens de groepsleider had ik gezegd dat mijn stiefvader aan mij had gezeten. Ik wist niet wat ik hoorde en begon te huilen. Ik wilde uitleggen dat ik bang was. Bang voor alle mannen op de hele wereld en dat het niets persoonlijks was. Mijn moeder wilde niet eens naar mij luisteren. Ze zei dat ik niet te vertrouwen was. Ze zou mij nooit alleen laten, met welke man dan ook.

Ik brak en voelde enorme woede in me op komen. Ik raakte de controle kwijt. Ik schreeuwde tegen de groepsleider dat ik hem voor de rechter zou slepen. Hij vertrok geen spier. Hij liet alleen weten dat ze hem eerder zouden geloven dan mij. Dat was de druppel. Ik rende naar mijn kamer. Daar sloeg ik alles kort en klein. Er bleef niet veel van mijn kamer en van mijzelf over. Op zo’n momenten wist ik niet wat ik deed en kende ik mijn eigen krachten niet. Nadat ik gekalmeerd was, schreef ik een brief. Ik vertelde mijn versie van wat er gebeurd was. Het bleef uiteindelijk niet bij maar één brief. Ik kreeg totaal geen respons. Mijn ouders wilden niets meer met mij te maken hebben.

 

Het werd me allemaal te veel. Ik wilde weg van alles en iedereen. In het donker stond ik op het station. Wanneer er treinen voorbij reden, voelde ik de wind langs mijn lichaam. Ik besloot er een eind aan te maken door voor de trein te springen. De adrenaline gierde door mijn lijf. Ondanks de adrenaline gaf het me een gevoel van rust. Ik had mijn besluit genomen en het voelde goed. Ik wachtte op de volgende trein. Ik werd aangesproken door de spoorwegpolitie. Ze hadden mij in de gaten gehouden en vertrouwden het niet helemaal. Een vrouw praatte op me in. Ze was erg vriendelijk en haalde me over om mee te gaan naar een kantoortje. De vrouw wist wat ik van plan was. Ze zei dat ik wel erg ongelukkig moest zijn om dit te willen doen. Ik wilde niet praten omdat ik niets meer te zeggen had. De aandacht en vriendelijkheid braken iets in me. Ik huilde en zei dat ze weg moesten gaan. Het was mijn leven. Ik mocht daarover beslissen en niemand anders. Ik was kapot en voelde me verslagen. Ik werd terug naar het internaat gebracht. De volgende ochtend moest ik weer naar school. Opnieuw liep ik weg. Een groepsgenootje was net op kamers gaan wonen. Ik ging bij haar langs. Ze deed open en kon nauwelijks op haar benen staan. Ik vroeg of ik bij haar onderdak kon krijgen. Ze vond het prima. Zodra we op haar kamer waren, kroop ze terug in bed. Ze zei verder geen woord en viel in een diepe slaap. Daar zat ik dan. Ik was terecht gekomen in een drugspand. ’s Avonds gingen we naar een café dat tegenover het drugspand lag. De meesten mensen die er zaten waren onder invloed van drank en/of drugs. Toen ik naar de wc ging, kreeg ik het wc-papier niet van de rol af. Er was iets dat het tegenhield. Toen ik in de rol keek, zag ik dat er drugs in verstopt zat. Ik zag het maar het deed me niets. Terug aan de bar kreeg ik een drankje aangeboden. Het bleek Whisky te zijn. Ik vond het afschuwelijk vies en voelde me raar. Ik viel van de barkruk af en kwam terecht op mijn achterhoofd. De volgende ochtend werd ik wakker in bed. Ik voelde me echt beroerd. Ik kon me niet meer herinneren dat ik out gegaan was. Volgens mijn groepsgenootje had iemand waarschijnlijk iets in mijn drankje gestopt.Ineens werd op de deur geklopt. Mij groepsgenootje zei dat ik me moest verstoppen onder het dekbed. Zij bleef ook in bed liggen. Opeens stond de politie midden in de kamer. Ze waren op zoek naar mij. Ze bleef volhouden dat ze niet wist waar ik was. Ze hadden mij niet zien liggen en vertrokken weer. We kregen de slappe lach. Hoe dom kon je zijn? Hadden ze me nu echt niet zien liggen? Het lachen was snel voorbij. De agenten kwamen terug. Ze trokken het dekbed van me af. Ik werd meegenomen naar het bureau. Op het bureau moest ik mijn schoenveters inleveren. Dat was om te voorkomen dat ik zelfmoord zou plegen. Ik werd gefouilleerd en moest de cel in. Ze behandelden me als een crimineel. Ik moest maar eens nadenken over wat ik gedaan had. Het interesseerde me helemaal niks. De celdeur ging op slot. Er ontstond paniek ik mijn binnenwereld. De eerst keer toen ik in een cel zat, kwam ik uit het pleeggezin. Ik bonkte op de deur en schreeuwde om hulp. Er werd geen gehoor aangegeven. Een paar uur later kwamen ze me ophalen. Ik zat apathisch in een hoekje. Starend in het niets. Ze kregen geen enkel contact met me. Ze gaven me pijnprikkels maar daar reageerde ik ook niet op. Een agente dacht dat ik iets van drugs had genomen. Dit was onmogelijk want ze hadden me van top tot teen gefouilleerd. Niemand kon verklaren wat er aan de hand was. Ik kon het me niet herinneren. Toen ik weer tot mezelf kwam, lag ik in bed in het internaat.

 

Op sinterklaasavond werd er een surpriseavond gehouden. Eind oktober werden de lootjes getrokken. Een groepsleider, zou binnenkort vader worden. In de groep werd er over niets anders meer gesproken. Ik vond dat erg moeilijk. Het deed me aan Sterre denken. Velen hoopte dat ze het lootje met zijn naam zouden krijgen zodat ze wat voor de baby konden maken. Ik hoopte juist dat ik hem niet zou krijgen. Helaas kreeg ik hem wel. Ik besloot iets te maken wat hij leuk vond. Ik wilde niet de baby denken. Vlak voor de surprise-avond werden we allemaal bij elkaar geroepen. Er was iets vreselijks gebeurd. De baby was vlak voor de geboorte overleden. Het was een meisje. Voor zover ze konden beoordelen, was ze kerngezond. Verdriet, herinneringen, angst. Een achtbaan van emoties kwam omhoog. Ik kon het niet aan. De wereld om me heen verdween. Ergens ver weg hoorde ik mezelf roepen dat ik baby’s haatte en dat ik hem daarom ook niet wilde voor de surprise. Er kwamen boze reacties. Men snapte niet dat ik op dit moment aan de surprise kon denken. Ik schaamde me kapot en sloot me op in mijn kamer. De groep had geen idee wat er speelde. Hun reactie kon ik achteraf wel begrijpen.

 

Na een aantal maanden kwam hij weer werken. Ik ontliep hem. Hij was voor mij een trigger geworden. Ik kon er niet mee omgaan. Wanneer hij er was, was ik weg. Het maakte niet uit waar ik heen ging. Alles was beter dan ik bij hem in de buurt zou zijn. De situatie verergerde door een voorval aan het ontbijt. Hij was de suiker vergeten op kantoor. Hij vroeg of ik het even wilde halen. Ik kreeg de sleutel en deed wat mij gevraagd werd. Na het ontbijt ging ik naar school. Er was niets aan de hand. Totdat ik thuiskwam. Ik moest meteen op kantoor komen. De kluis met zak- en kleedgeld was gestolen. Ik werd ervan beschuldigd omdat ik alleen op kantoor was geweest. Ik had helemaal niets gestolen. Ik zei dat ze al mijn spullen mochten doorzoeken. Er werd niet naar mij geluisterd. Ik kreeg een maand huisarrest. Van school uit moest ik meteen naar mijn kamer. Ik mocht alleen van mijn kamer af om te eten, te douchen en corvee te doen. Zolang de kluis niet terecht was, kreeg ik geen zak- en kleedgeld. Een paar dagen later had hij weer dienst. Toen ik uit school kwam, wilde hij met mij praten. Eigenlijk had ik geen behoefte om met hem te praten. Hij begreep dat wel maar wilde even wat rechtzetten. Hij vertelde dat hij zeker wist dat ik de kluis niet had gestolen. Die ochtend was hij op kantoor geweest. De kluis was toen nog niet verdwenen alleen was hij vergeten dit te rapporteren. Hij wist bijna zeker dat het in de middaguren moest zijn gebeurd. Ik was opgelucht maar ook kwaad. Ik begreep niet hoe hij zoiets kon vergeten. Mijn straf werd ingetrokken maar ze hadden aan mijn groepsleden verteld, dat ík het had gedaan. Niemand vertrouwde mij meer. Ik vluchtte mijn kamer op. Ik hoefde niemand meer te zien. Tijdens het avondeten vertelde hij aan de groep dat ik het niet gedaan kon hebben. Het wantrouwen bleef.

 

Ik verhuisde van de ene naar de andere groep binnen het internaat. Ik was het zat om constant van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Nergens voelde ik me thuis. Door alles wat ik had meegemaakt, had ik geen aansluiting met leeftijdsgenoten. Ik vond ze maar kinderachtig en ging steeds meer mijn eigen leven leidden. De havo had ik allang opgegeven. Ik had andere dingen aan mijn hoofd en had al mijn energie nodig om te kunnen overleven.

 

Omdat ik te oud werd voor een leefgroep, mocht ik op kamertraining. Ik dacht dat dit het voor mij was. Geen leefgroep meer maar zelfstandig wonen, met 3 anderen in een gewoon woonhuis. Vanaf de dag dat ik daar woonde, moest ik vrijwel alles zelf doen. Koken, wassen, strijken, poetsen, enz. Dit zorgde voor enorme triggers. Ik werd constant herinnerd aan het leven in het pleeggezin.Ik mocht stoppen met de havo en vond vrijwilligerswerk op een kinderdagverblijf. Daar kon ik vluchten voor mijn gedachten en gevoelens. Wanneer ik thuiskwam, ging het mis. Ik kon het niet aan en bleef maar doorgaan. Dit leidde tot verschillende zelfmoordpogingen. Er werd besloten dat ik eerst aan mijn problemen moest gaan werken. Ik mocht op kamertraining blijven, mits ik me liet opnemen in een psychiatrische kliniek. Ik wilde geen opname en zeker niet gaan praten over alles wat ik had meegemaakt. Jarenlang werd mij ingeprent dat ik nergens over mocht praten. Ik raakte steeds meer in de war omdat ik niet wist wat nu wel of niet mocht en kon.Om behandeld te worden moest ik een motiverende brief schrijven. Dit kon ik echt niet omdat ik eigenlijk niet achter deze opname stond. Mijn begeleider hielp mij hierbij en dat leverde een brief op, waarin het leek alsof ik heel erg gemotiveerd was.

 

Ik ging op intake en mijn opname werd goedgekeurd. Men vond het niet verstandig dat ik in de weekenden op kamertraining zat. Daar was ik helemaal niet mee eens. Ik had het gehad met leefgroepen. Ik zag het echt niet zitten om door de week in een groep in de psychiatrie te zitten en in het weekend in een leefgroep. Ik had geen keus en werd, in afwachting van de opname, geplaatst in een leefgroep. De opname liet nog lang op zich wachten. Vier maanden zat ik, voor mijn gevoel, voor niets in de leefgroep. Ik voelde me verloren. Ik kreeg vrijwel geen begeleiding omdat men wist dat ik opgenomen zou gaan worden. Er werd totaal geen tijd en energie in mij gestoken.

 

Ik ging steeds meer uren werken op het kinderdagverblijf en had een aantal gezinnen waar ik in de weekenden op de kinderen paste. Ik deed alles om maar niet thuis te hoeven zijn.

 

Omdat in die tijd veel wiet werdgerookt, mochten we op het internaat blowen maar alleen op je eigen kamer. Wanneer ik niet werkte, zat ik op mijn kamer. Blowen was voor mij een goede vlucht uit de realiteit. Ik hoefde nergens aan te denken, had geen last van herbelevingen en mijn verleden. Zodra het spul was uitgewerkt, kwam alles in alle hevigheid terug. Mijn leven was en bleef een hel.

 

Ik werd opgenomen en was er niet aan toe om aan mijn verleden te werken. Ik kon niet overweg met mij herinneringen, gevoelens, en alles wat daarbij hoorde. Het was te confronterend. Het maakte me niet uit waar ik terecht zou komen. Na 6 maanden opname, regelde ik mijn bankzaken en vertrok. Bij het internaat was ik niet meer welkom omdat ik de behandeling niet had afgemaakt. Niemand wilde me verder nog helpen, ik moest het maar zelf uitzoeken. Ik wist niet eens hoe alles werkte.

 

Ik begon met het zoeken naar een kamer. Deze had ik vrij snel gevonden. De huurbaas zei dat ik bij de gemeente een uitkering kon aanvragen. Ik ging naar de gemeente, kreeg een voorschot van de Sociale Dienst en vertrok. Omdat ik snel een kamer nodig had, had ik niet veel keuze. Het huis stonk en was vies. Er woonden alleen maar alleenstaande mannen. Ik had geen enkel contact met andere kamerbewoners. Dit hoefde gelukkig ook niet want de enige ruimten die we moesten delen, waren de wc en de douche. Ieder kamer had een eigen keukenblokje. Ik ging op de meest onmogelijke tijden douchen om niemand tegen te komen in de gang. Omdat de douche en wc erg vies waren en altijd stonken, nam ik een fles chloor mee. Ik was bijna nooit in het pand. Ik werkte zoveel mogelijk uren in de kinderopvang. Via het kinderdagverblijf kreeg ik contact de moeder van een meisje uit mijn groep. Ik werd hun vaste oppas. Ze waren als surrogaatouders voor mij. Echt toelaten, kon ik ze niet. Ik wist niet hoe een “normaal gezinsleven” eruitzag. Ik mocht 2 keer in de week bij hen eten. Voor het oppassen wilde ik daarom ook niet dat ze mij betaalde. Wanneer we aan tafel zaten en er ontstond een discussie of een conflict, zat ik te wachten op huiselijk geweld. Dit was ik immers gewend. Het geweld kwam niet. Ik dacht dat wanneer ik naar huis was, de kinderen in elkaar geslagen zouden worden. De moeder was coördinatrice bij de kinder- en jeugdtelefoon. Omdat ik dacht dat ik met mijn verleden, andere kinderen kon helpen, ging ik daar ook nog vrijwilligerswerk doen.

 

Vanuit mijn kamer op verhuisde ik naar een flat. Ik kon niet langer vluchten voor mijn verleden. Ik kreeg steeds meer last van herbelevingen, angsten, nachtmerries, enz. In deze periode werd ik me heel erg bewust van het feit dat ik MPS/DIS had ontwikkeld. In mijn hoofd hoorde ik een baby huilen, allerlei stemmen en wat het ergste was, was dat ik een persoonlijkheid in me had, die het gedrag kopieerde van mijn pleegvader.

 

Ergens in die tijd moest ik van de sociale dienst gaan werken. Ze hadden een project dat bedoeld was om jongeren te helpen in hun beroepskeuze, ervaring op te doen en een baan te vinden. Ik kreeg een baantje op het archief van de sociale dienst. Ik vond het werk best leuk maar had heel veel moeite met bepaalde dingen. Zo werd er bijvoorbeeld op zoek gegaan naar meisjes/vrouwen die een uitkering hadden en daarnaast in de prostitutie werkten. Wanneer ze deze vrouwen hadden gevonden, werd dat met trots verteld. Ik kon er niet naar luisteren. Het riep te veel herinneringen op. Ik merkte steeds vaker dat ik mezelf niet meer in de hand had. Een collega van mij, ging aan de slag met het dossier van mijn ouders. Zij hadden een gigantische schuld omdat ook zij een uitkering hadden maar mijn vader zwart had gewerkt in de bouw. Aan mij werd het adres van mijn vader gevraagd. Ik had geen contact met mijn ouders. Ik wist alleen dat hij voor de zoveelste keer getrouwd was en ergens in het buitenland woonde. Ze bleven op mij inpraten en geloofde me niet. Dit was voor mij de druppel. Waarom geloofde mensen mij niet? Waarom werd er nooit naar mij geluisterd? Ik had mezelf niet meer in de hand en stortte in, zowel lichamelijk als emotioneel. Hoe ik thuis ben gekomen weet ik niet meer. Vanaf die dag kon ik niet meer voor mezelf zorgen en at, dronk en sliep niet meer. Het voelde alsof alles van de afgelopen jaren in één keer op me af kwam. Ik kreeg allerlei klinische- en poliklinische behandelingen en werd volgestopt met medicijnen omdat ik stemmen in mijn hoofd had. De stemmen werden gezien als een “STOORNIS” en moesten volgens mijn behandelaars weg. Door de medicatie kan ik me niet veel herinneren van alle behandelingen uit die tijd. Het hielp me niet veel verder omdat ik DIS had, maar hier geen behandeling voor was. Men wist hier niet mee wist om te gaan. Ik had net een IBS achter de rug en wist dat ik niet zomaar met ontslag kon gaan. Ik was het zo zat om in groepen te moeten leven. Ik voelde me ook onbegrepen en wilde nooit meer iets, met welke vorm van hulpverlening, te maken hebben. Ik wilde hier weg en ging ik me gedragen zoals ze graag wilde dat ik me gedroeg.

 

Tijdens de laatste periode van mijn behandeling, startte ik met vrijwilligerswerk op de crèche van een asielzoekerscentrum. Doordat ik door alle trauma’s niet in staat was een studie te volgen ben ik op 16-jarige leeftijd begonnen met vrijwilligerswerk op verschillende plaatsen. Omdat ik een aantal jaar ervaring had met werken in de kinderopvang, werd ik gevraagd om bij de crèche van het asielzoekerscentrum te gaan werken. Ik was altijd al geïnteresseerd in andere culturen en zag dit als een uitdaging. Nadat ik er een tijdje werkte, raakte ik in contact met een jonge man. Hij zag er altijd goed verzorgd uit en kwam vriendelijk over. Hij vertelde dat zijn broer een aantal jaar geleden ook was gevlucht en inmiddels de Nederlandse status had gekregen. Hij wilde met mij afspreken buiten het AZC. Ik wilde niet met hem alleen zijn omdat ik niet wist of ik hem kon vertrouwen. Ik stelde voor om samen naar goede vrienden van mij te gaan. Ik vertelde hem at we naar mijn ouders zouden gaan. Ik wilde hem niet meteen mijn levensverhaal vertellen. Wanneer we elkaar langer zouden kennen, zou ik het wel uitleggen. In zijn cultuur, werden ouders op een voetstuk geplaats. Hierdoor het voelde om eerst bij “mijn ouders” af te spreken. Ik hechtte veel waarde aan de mening van “mijn ouders. Ik wilde weten, wat zij van hem vonden en of het iemand was waar ik een vriendschap mee kon opbouwen.

 

Op en avond zij we daar gaan eten. Het was een gezellige avond. Volgens “mijn ouders” was het een aardige, vriendelijke man en moest ik me niet te veel zorgen maken. Later op de avond zijn we richting huis gelopen. Hij zou op de bus stappen bij mijn flat omdat deze op de route lag naar het AZC. Toen we vlakbij waren, vroeg hij of hij mocht zien waar ik woonde. Ik dacht dat het goed zat en nam hem mee naar huis. We zaten op de bank wat te kletsen toen hij zei dat het te laat was om nog naar het AZC te gaan. Hij zou in de problemen komen en waarschijnlijk zouden ze hem niet eens binnen laten. Hij vroeg of hij bij mij mocht blijven overnachten. Ik geloofde wat hij zei en zei dat hij kon blijven. Hij begon mij te zoenen en te strelen. Ik zei dat ik dat niet wilde. Ik viel niet op mannen maar op vrouwen. In het begin heb ik me verzet. Hij greep me erg hardhandig vast en heeft me een aantal keer geslagen. De trauma’s van het verleden flitsten als beelden aan me voorbij. In die nacht heeft hij mij verkracht. Verzetten had geen zin. Ik bevroor en liet het over me heen komen. De hele nacht lag ik naast hem in bed. Ik sliep niet en lag te wachten tot dat het tijd was om op te staan. Toen hij wakker werd, liep ik naar de woonkamer om mijn vrienden te bellen met de vraag of ik meten kon langskomen. Tegen hem zei ik dat hij niet kon blijven omdat ik dringend naar “mijn ouders” moest. Hij nam de bus naar he AZC. Ik liep meteen naar mijn vrienden en vertelde wat er was gebeurd. Ik durfde niet naar de politie te gaan omdat ik dacht dat het mijn schuld was, ik had hem immers binnen gelaten. Mijn vriendin wist mij ervan te overtuigen dat het toch beter was om aangifte te doen. Samen gingen we naar de politie om aangifte te doen en daarna naar het ziekenhuis voor sporenonderzoek, enz.

 

Ik durfde niet maar teug naar mijn flat. Mijn vriendin stelde voor dat ik een tijdje bij hen in huis zou blijven. Na ongeveer 2 weken vonden ze dat ik genoeg verdriet had gehad en dat het beter was dat ik terugging naar huis. Ik had deze reactie nooit verwacht en het oude gevoel van afwijzing, kwam naar boven. Ik was zo teleurgesteld dat ik afstand nam en het contact steeds minder werd. Toen ik terugkwam in de flat, schrok ik heel erg. De glazen stonden nog op tafel van de nacht van de verkrachting. Mijn bed was niet opgemaakt en de lakens moesten nog gewassen worden. Dat was het eerste wat ik deed, alles in de wasmachine. Daarna begon ik, op de automatische piloot aan een grote schoonmaak. Het hielp niet, ik voelde me niet meer veilig in mijn flat.

Niet veel later ging ik weer, op verschillende plaatsen, vrijwilligerswerk doen. Dit kon ik helemaal niet aan en had ik ook nooit moeten doen. Ik kreeg gesprekken bij de kindertelefoon omdat men vond dat ik er nog niet aan toe was. Maar opnieuw sloeg ik op de vlucht voor mezelf.Na een aantal maanden werd een nieuwe groep aspiranten aangenomen. Ze hadden mentoren te weinig en stelde mij de vraag of ik nog één keer mentor wilde zijn. Ik had al veel vrijwilligers ingewerkt maar nu wilde ik eigenlijk niet. Ik kon het niet aan en had eigenlijk besloten, te stopen me werken. Tijdens de telefoondiensten kwamen de aspiranten kijken hoe de werkplek eruitzag. Isa was ook aspirant. Toen ik dienst draaide, kwam ze langs om te kijken. Na mijn dienst ging ik op gesprek bij mijn coördinatrice. Ik bood aan, nog één keer mentor te worden, onder de voorwaarde dat Isa mijn aspirant werd.

 

Isa en ik kregen in 1996 een relatie. Vanaf de eerste dag zijn we altijd samen geweest. In 1998 zijn getrouwd. Vanaf het begin in onze relatie waren er moeilijkheden. Ik wilde niet dat Isa erachter kwam, dat ik DIS had. Ik was ervan overtuigd, dat ze me zou verlaten wanneer ze me echt zou leren kennen. Inmiddels was wel duidelijk dat ik niet in staat was om te werken. Ik had al mijn energie nodig om me staande te houden en te overleven. Daarbij kwam dat ik absoluut geen vertrouwen had in mensen. Isa werkte en ik zorgde voor het huishouden. Ik wilde heel graag kinderen. 1999 werd onze eerste dochter geboren. Na een aantal miskramen, werd 2002 onze jongste dochter geboren.Toen de kinderen nog klein waren, had ik genoeg afleiding. Toch kreeg ik steeds meer last van mijn verleden. Ik zag mezelf terug in de kinderen. Ook gebeurden het heel vaak dat ik tijd kwijt was. Ik maakte me zorgen dat ik geen goede moeder en partner was. Ik wist namelijk niet hoe een normaal gezin functioneerde omdat ik nooit een voorbeeld had gehad. Met de kinderen ging het goed. Toch bleef ik twijfelen. Volgens Isa was ik een hele goede moeder maar zij wist niet wat er in mij speelde. Ik merkte dat ik niet meer kon vluchten voor mijn persoonlijkheden en dat ik ze niet meer kon wegstoppen. Ik deed er jaren over, om de moed bij elkaar te rapen en haar te vertellen dat ik DIS Had. Ik wist niet hoe ik dat moest gaan doen. Op internet vond ik een artikel waar ik mezelf in terug zag. Uiteindelijk besloot ik, het haar te laten lezen, met alle risico’s van dien. Ik vertelde dat ik haar wat wilde laten lezen maar dat ik bang was dat ze bij mij weg zou gaan. Ze zou mij vast gek of raar vinden. Nadat ze het gelezen had, kreeg ik een reactie die ik nooit had verwacht. Ze vond mij helemaal niet raar of gek. Ze zei dat ze dit al wist maar dat ze niet wist dat het “DIS” heette, wat ik had. Ze vond het prettig dat ze het eindelijk een naam kon geven.

 

Omdat ik me zorgen bleef maken over het welzijn van de kinderen, zochten we hulp bij he KOP project. Dit project was voor kinderen van ouders met psychische problemen. Ze kregen groepsgesprekken en werden spelenderwijs onderzocht of ze schade hadden opgelopen doordat ik psychische problemen had. Ook kregen we huisbezoek van een begeleidster om samen met de kinderen te praten over de thuissituatie. Uiteindelijk kregen we te horen dat de kinderen een goede basis hadden gehad en leefden in veilige thuissituatie. Beide functioneerden goed en ik hoefde me echt geen zorgen te maken. Dit was een enorme opluchting. Isa stond altijd voor mij klaar. Heel geleidelijk aan, vertelde ik haar steeds meer over mijn verleden. Ik vertelde haar dat onze oudste, niet mijn eerste kindje was. Ik wilde graag een herinnering aan Sterre en Isa steunde mij daarin. We zijn samen naar een tatoeëerder gegaan. Ik liet een ster tatoeëren, zodat ik Sterre altijd bij me kan dragen.