Hulpverlening

 

Onze ervaringen bij:

 

Mondriaan

 

Na een depressie van ongeveer 4 maanden kwam ik terecht bij de crisisdienst. Iedere week had ik een gesprek met een verpleegkundige en een psychiater. Ik slikte al jaren antidepressiva. De medicatie werd verhoogd. Het werd er niet beter op. Eerder slechter.

 

Na ongeveer een maand bij de crisisdienst, kon ik het leven niet meer aan. Ik had veel last van herbelevingen uit het verleden. Het was alsof het gisteren was gebeurd. Er kwamen steeds weer nieuwe herinneringen bij. Het was te heftig, te veel, en te zwaar. Ik werd wanhopig van het idee, dat ik hier nooit meer uit zou komen Mijn leven werd bepaald door het verleden. De daders lopen vrij rond en het slachtoffer krijgt levenslang.

 

Ik voelde me schuldig tegenover mijn gezin. Mijn partner Isa en de kinderen, gaven me geen voldoening meer.Ik kon niet de moeder en partner zijn die ik wilde zijn. Ik was er van overtuigd dat Isa en de kinderen beter af waren zonder mij.

Ik had alles wat me zich kon wensen maar voelde me doodongelukkig. Er was niets meer om van te genieten of om naar uit te kijken. Ik leefde in mijn eigen wereldje dat bestond uit paniek, verdriet en wanhoop. Ik was niet in staat om dingen te delen omdat het te heftig was. Ik leefde met een groot geheim, waar ik niet over mocht praten. Het voelde alsof ik nog steeds bedreigd werd. De tegenstander was te sterk en ik kon er niet van winnen, hoe hard ik ook vocht. In gedachte wilde ik rust en nam afscheid van het leven.

 

Maandagochtend. Het was genoeg. In het gesprek bij de crisisdienst, realiseerde ik me dat ik heel hard hulp nodig had. Na een aantal minuten was wel duidelijk Het ging niet meer. Ik was op. De psychiater hakte de knoop door. De volgende dag zou hij een bed geregeld hebben op de PAAZ. Het zou het beste zijn voor het hele gezin. Ik nam me voor om de strijd opnieuw aan te gaan. Niet voor mezelf maar voor mijn gezin. Heel verdrietig maar met het idee dat ik de goede beslissing had genomen, gingen we naar huis.

 

‘s Avonds aan tafel, vertelden we de kinderen wat er ging gebeuren. Isa en ik legden uit dat ik de laatste tijd heel erg verdrietig was. Om beter te worden, was het beter dat ik een tijdje naar het ziekenhuis zou gaan. Dit was zo moeilijk. Er vloeiden heel wat tranen. Ik zette mijn verdriet aan de kant. Ik wilde laten zien dat dit het beste was voor iedereen. Na veel praten, legden de kinderen zich erbij neer. Het hele gezin was erop voorbereid dat ik de volgende ochtend zou worden opgenomen.

 

De volgende dag had ik een telefonische afspraak. De psychiater had niets geregeld. Er was geen bed. Op zijn vroegst zou ik de dag erna worden opgenomen. Ik zag het niet meer zitten. Ik moest de kinderen gaan uitleggen waarom ik nog thuis was. ‘s Middags moest ik weer terug bellen. Isa belde en kreeg te horen dat ik me donderdag om 13.30uur kon melden voor opname.

 

Isa en ik kwamen aan en werden naar een kamer gebracht. Met vier man personeel kwamen ze binnen. Het kruisverhoor kon beginnen. Aangezien ik had besloten er voor te gaan, gaf ik me helemaal bloot. Ik had geen zin meer om verstoppertje te spelen. Ik vertelde dingen waar Isa nog geen weet van had. Mijn gedachten, mijn wanhoop, de paniekaanvallen, nachtmerries en herbelevingen.

 

De conclusie van het gesprek was, dat ik zwaar depressief was en dat ik veel last had van trauma's uit het verleden. Ik werd er soms zo wanhopig van dat ik uit het leven wilde stappen. Ze vroegen wat ik van de opname verwachtte. Ik zei dat ik al tevreden zou zijn wanneer ik het gewone leven weer zou kunnen oppakken. Zij zeiden dat ze mij de hulp konden bieden, die ik nodig had om mijn doel te bereiken.

 

 

Om 14.30uur ging Isa naar huis om de kinderen op te vangen. Ik zou een gesprek krijgen met een verpleegkundige om uitleg te krijgen over de afdeling en afspraken te maken. Dit gesprek kwam er niet. Ik ging naar mijn kamer en wachtte af.

 

Na een half uurtje kwam een arts mij halen. Een voor mij, wildvreemde man. Ik had aangegeven dat ik mannen heel bedreigend vond. Ze deden er niets mee. Hij vroeg niet eens of ik het wel aankon om door een man, lichamelijk onderzocht te worden

Ik kreeg een psychologische test. Hij zij dat deze test niet bedoeld was voor het soort patiënt dat hij nu voor zich had. Na deze test gingen we naar een behandelkamer. Ik moest me uitkleden. Mijn ondergoed mocht ik aanhouden. Ik moest op de onderzoekstafel gaan liggen en werd van top tot teen onderzocht. Hij wilde naar mijn hart en longen luisteren. Ik moest mijn beha uitdoen, zodat hij beter kon luisteren. Daarna onderzocht hij mijn littekens. Hij wilde weten welke littekens door zelfbeschadiging waren ontstaan. Ik voelde me erg ongemakkelijk. Mijn littekens hield ik voor iedereen verborgen omdat ik me er voor schaamde. Het maakte me heel angstig maar ik was niet in staat om dit aan te geven. Ik wilde alleen maar weg uit deze ruimte.

 

Na het onderzoek ging ik naar de woonkamer. Een patiënt kwam op me af. Hij stelde zich voor. Hij gaf me een hand en liet deze niet meer los. Dit was de druppel. Ik raakte in paniek. Ik begon te zweten en te trillen. Ik moest hier weg. Het liefst zakte ik door de grond. Ik vluchtte naar de slaapkamer. Ik wilde ervoor zorgen dat de paniek niet erger zou worden. Ik belde Isa, om te vragen of ze wat te drinken wilde meenemen. Op dat moment kwam een verpleegkundige binnen. Ze had een hele bos sleutels meegenomen. Eén van deze sleutels was van mijn kast. Ze wist alleen niet welke. Ze zei dat ze NU moesten passen. Weer werd mij niets gevraagd. Ik brak het telefoongesprek af. Het slot was kapot. Ze zei dat ik mijn spullen maar bij de verpleging moest opbergen. Wanneer ik iets nodig had, dan moest ik het maar vragen. Op dat moment vroeg ik me af waar het opnamegesprek voor had gediend. Ik had aangegeven dat ik niet in staat was om op vreemden af te stappen. Ik raakte compleet in de war en in paniek. Alle spanning en verdriet kwamen eruit.

 

Rond 17.15uur raapte ik alle moed bij elkaar en ging een sigaretje roken in de rookcabine. Er was gelukkig niemand. Opeens ging de glazen schuifdeur open. Een verpleegkundige kwam binnen en zei: "Waarom zitten wij niet aan de tafel?" Ik trok mijn schouders op en zei dat ik het niet wist. De verpleegkundige zei:" Dit is niet de bedoeling, hé meisje!" Ik schrok door heer benadering. Ik wist niet eens dat het etenstijd was. Iemand zou mij haar hierin begeleiden. Ik hoefde niet zelf aan tafel te komen. Het was alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg en schoot terug in de angst. Ik vluchtte naar mijn kamer en durfde niemand meer onder ogen te komen.

 

Na een tijdje ging de deur open. Isa en de kinderen kwamen op bezoek. Ik kon alleen maar uitbrengen dat ik hier weg wilde. Nadat Isa mij tot bedaren had gebracht, vertelde ik wat er allemaal was gebeurd. Isa vroeg of ik al had gegeten. Ik wilde niet eten. Ik moest wel omdat ik diabetespatiënte was.

 

Isa vroeg een gesprek aan bij de verpleging. Isa gaf aan dat ze geschrokken was van mij. Toen ze met de kinderen de afdeling kwamen oplopen, hoorden ze mij aan het einde van de gang huilen. De verpleegkundige zei dat alle mensen hier verdriet hadden. Ze lieten de mensen in hun verdriet. Isa gaf aan, dat ze dan geen goede overdracht hadden gehad De verpleegkundige schoot meteen in de verdediging. Ze wist niet dat ik pas een paar uur op de afdeling was. Ze was twee weken ziek geweest en kon echt niet alles weten. Toen verpleegkundige hoorde dat ik diabetes had, zei ze dat ik nog wel wat te eten kon pakken. Een gesprek was verder niet mogelijk. Isa en ik liepen samen naar de keuken. Een verpleegkundige keek me onderzoekend aan. Ze vroeg wat ik kwam doen. We legden uit wat er was gebeurd. De verpleegkundige vertelde waar het brood en beleg lag, stond en liep geïrriteerd weg. Na het eten ging ik mijn medicijnen halen. Eigenlijk moest ik vier verschillende tabletten slikken. Ik kreeg er maar één. Dit kon zo niet langer. Er moest iets gebeuren.

 

 

Isa en ik bespraken hoe het nu verder moest. Isa vroeg een gesprek aan met een verpleegkundige. Ik vertelde dat ik naar huis wilde. Ik legde uit, dat ik het hier niet uit hield. Wat ze van mij verwachten, dat kon ik niet. Ik voelde me bedreigd door mensen. Ik kon me niet bij de groep voegen of hulp vragen wanneer ik een paniekaanval had. Ik voelde me hier alleen op de wereld. De verpleegkundige wilde dat ik het nog even zou proberen. Volgens haar konden er afspraken gemaakt worden. En dat ik hoefde me niet bedreigd te voelen, ik was immers op de PAAZ. Hier was veel minder agressie dan op een gewone afdeling. Ik kon ook iedere dag een half uurtje ventileren. Praten over het verleden, dat zat er niet in. Daar waren zij niet voor. Geen diepgaande gesprekken. Daar moest ik toch echt ergens anders voor zijn. Verder wilde de verpleegkundige wel even kwijt dat ze het jammer vond dat het zo was gelopen. Isa zei dat er al afspraken waren gemaakt en dat er niets mee werd gedaan. We hadden er geen vertrouwen in dat ze zich nu wel aan de afspraken hielden. We merkten aan de verpleegkundige, dat ze wist dat ze fout zaten. En afspraken, waar ging het over?. Ik wilde naar huis.

 

Het was inmiddels 19.30 uur. De verpleegkundige belde de dienstdoende psychiater. Hij wilde mij eerst spreken, voordat ik mocht gaan. We moesten even wachten. Het kon een half uurtje duren, hij had een spoedgeval. Het half uurtje werd bijna twee uur. Geduldig wachtten we af. Als ze om 21.30 uur nog niks hadden gehoord, zou de verpleging gaan informeren waar hij bleef. Intussen verzamelde de verpleegkundigen zich in de rookcabine. Daar vingen Isa en ik een gesprek op over alles wat er mis was gegaan. Er waren twee rookcabines. Waarom vond het gesprek hier plaats? Het leek alsof het de bedoeling dat Mirte en Kris hoorden dat ze inzagen dat ze fout zaten.

 

Om 21.15 uur ging Isa informeren hoe het er mee zat. Ze hadden nog steeds niet gebeld. Intussen had een andere psychiater de dienst overgenomen. We moesten maar even geduld hebben. Rond 22.30 uur arriveerde hij. Opnieuw kregen we een gesprek. We legden uit hoe alles was gelopen. De psychiater vond het jammer dat het zo was gegaan. Veel meer zei hij niet. Hij vroeg of ik toestemming gaf, een mailtje te sturen naar de crisisdienst. Ik had daar geen bezwaar tegen. De psychiater zag geen reden om mij hier langer te houden. Wel wilde hij even advocaat van de duivel spelen. Ik had er immers voor gekozen om even uit de thuissituatie te gaan. Hij vroeg zich af of het daar wel veilig was. Over veiligheid gesproken. Ik moest me gaan verdedigen en hem overtuigen dat er thuis niets mis was. Ik wilde juist met Isa mee omdat het hier alles behalve veilig was. Isa zou twee weken verlof nemen. Daarna zouden we wel zien hoe het liep. We kregen toestemming. Ik mocht naar huis.

 

We moesten nog even mijn medicatie gaan halen. Er ontbraken twee doosjes tabletten. Een verpleegkundige zei dat ze die op kantoor had liggen. Ze kwam terug met één doosje. Ze zei dat ze even opruiming had gehouden. Er zaten wel erg veel lege stripjes in het. Ik vroeg waar het tweede doosje was. Ze keek me aan en wist niet waar ik het over had. Tweede doosje? Het waren toch twee doosjes met dezelfde tabletten. Het waren twee verschillende soorten tabletten. Zij had ze in één doosje gedaan. Ze zocht tussen het oud papier en vond het andere doosje. Een andere verpleegkundige controleerde of het echt om twee verschillende soorten tabletten ging. Deze zei dat dit niet de bedoeling was en dat ze dat ze hier ook echt niet blij mee was. Isa werd boos. Ze zei dat we het thuis wel zouden uitzoeken. Het was de zoveelste druppel. We pakten mijn spullen en gingen naar huis.

 

Daar zat ik dan thuis op de bank. Aan de ene kant was ik opgelucht. Weg van de afdeling, thuis bij mijn gezin. Aan de andere kant kon ik geen kant meer op. Ik moest bijkomen van alle emoties. Voor mijn gevoel hoorde ik eigenlijk niet thuis te zijn. Ik had me overgeven aan een opname omdat ik hulp nodig had. Ik had me blootgegeven en dit was het resultaat. Ik had geen enkel vertrouwen meer in de hulpverlening.